Hoofdstuk 3 : Het spirituele fundament van een oude beschaving
Inleiding
3.1 Kung Fu en de Chinese krijgskunsten
In het Westen leerden we Kung Fu vooral kennen dankzij niemand minder dan Bruce Lee. Met zijn films uit de jaren ’70 bracht hij Kung Fu bij ons onder de aandacht van het grote publiek. Maar oorspronkelijk ontstond Kung Fu niet als gevechtsport of krijgskunst. In het oude China werd het in de beginperiode namelijk niet onderwezen door een krijger, maar door een monnik: Bodhidharma.
Bodhidarma reisde in de 6e eeuw na Christus vanuit India naar China. De legende vertelt hoe hij de Yangtze-rivier overstak door enkel gebruik te maken van een rieten stengel, waarmee hij over het water gleed. Uiteindelijk kwam Bodhidarma aan bij een zeer beroemde Chinese tempel, de Shaolin-tempel. De tempel werd gesticht in de 5e eeuw na Christus (ca. 495 n.Chr.) en bestaat vandaag de dag nog steeds. Bodhidharma trof er echter monniken aan in een niet al te beste lichamelijke conditie. Aangezien hij niet alleen een boeddhistische meester was, maar ook een meester in de krijgskunst, besloot hij deze monniken te trainen. Dit resulteerde in de hoogste vorm van de Chinese krijgskunst: de Shaolin Kung Fu!



De Shaolin-tempel werd gesticht in de 5e eeuw na Christus en bestaat vandaag de dag nog steeds.
Kung Fu werd dus oorspronkelijk niet specifiek onderwezen als een gevechtsdiscipline. Het maakte daarentegen deel uit van wat men in het Chinees ‘xiū liàn’ (修炼) noemt, en wat we kunnen vertalen als ‘cultivatie’, oftewel het ‘uitgroeien naar een hoger niveau van bewustzijn door de verfijning van zowel lichaam als geest’. En Kung Fu maakte daar op die manier deel van uit.

Bruce Lee

Volgens de legende stak Bodhidharma de Yangtze over op een rieten stengel.

Na zijn aankomst in de Shaolin-tempel mediteerde Bodhidharma negen jaar lang onbeweeglijk in een grot vlakbij de Shaolin-tempel. Volgens de legende liet zijn schaduw een afdruk na op de rotswand.

3.2 Tai Chi
Een ander voorbeeld is Taiji Quan, bij ons in het Westen vooral bekend onder de naam Tai Chi.
Tai Chi is vrij populair in het Westen. Op een zondagmorgen kun je in een park wel eens een groepje mensen tegenkomen dat de Tai Chi-oefeningen doet. Het wordt vooral beoefend vanwege zijn rustgevende en gezondheid bevorderende eigenschappen. Tai Chi ontstond in de 14e eeuw in China. Het werd oorspronkelijk ontwikkeld als een vorm van krijgskunst en wordt soms vertaald als ‘schaduwboksen’. De gracieuze, vloeiende bewegingen stellen in feite een denkbeeldig gevecht voor met een onzichtbare tegenstander.
Toch werd ook deze discipline niet geïntroduceerd door een krijger. Ze werd ontwikkeld en onderwezen in de vroege Ming-dynastie (14e eeuw) door meester Zhang Sanfeng (张三丰), een taoïstische monnik die als een onsterfelijke leefde tussen de mistige toppen van de Wudang-bergen (een bergketen in de provincie Hubei, in centraal China). Geïnspireerd door de natuur en de principes van yin en yang, combineerde hij taoïstische meditatie met ademhalingstechnieken en de krijgskunst.

De taoïstische monnik Zhang Sanfeng leefde als een kluizenaar in de Wudang-bergen en is volgens de overlevering de grondlegger van Taiji Quan. Er wordt van hem gezegd dat hij een leeftijd van 130 jaar heeft bereikt.

De Wudang-bergen

De Wudang-bergen

De Wudang-bergen

De Wudang-bergen
De Wudang-bergen (武当山) worden in de Chinese traditie gezien als de geboorteplaats van Taiji Quan (Tai Chi) en ook van andere interne krijgskunsten. De bergen staan bekend als een van de heiligste taoïstische plaatsen van China, met talloze kloosters, tempels en kluizenaarsverblijven.

3.3 Traditionele Chinese geneeskunde
Nog een voorbeeld uit de rijke Chinese cultuur is de traditionele geneeskunde. Waar haalden de Chinezen hun uitgebreide kennis over geneeskrachtige kruiden vandaan? Hoe wisten ze bijvoorbeeld dat een soep van paardenbloemen een ontgiftend effect op de lever heeft? En hoe konden ze door het gebruik van kleine naalden in de achterkant van het oor rugklachten verhelpen?
De Chinese geneeskunde verschilt in feite totaal van onze westerse geneeskunde. De westerse geneeskunde ontwikkelde zich door de eeuwen heen vanuit de exacte wetenschappen, volgens dewelke het menselijk lichaam op analytische wijze werd bestudeerd en ontleed. De klassieke Chinese geneeskunde daarentegen was gebaseerd op de voortdurende zoektocht naar balans en evenwicht tussen lichaam en geest, en naar harmonie tussen mens en natuur. Het menselijk lichaam werd in dit kader geanalyseerd vanuit de taoïstische denkwijze, waarin het lichaam wordt beschouwd als wat men noemt: ‘een klein universum’.
Maar wat betekent dat eigenlijk?
Net zoals wij in onze fysieke wereld spreken over bergen, meren en rivieren, zo is er in de microkosmos van het menselijk lichaam óók sprake van bergen, meren en rivieren — maar in dit geval gaat het om rivieren van energie: de zogenaamde meridianen, of energiekanalen, zoals ze ook wel worden genoemd.
Als in onze fysieke wereld een rivier geblokkeerd raakt, stijgt het waterpeil — met alle gevolgen van dien. Zo gaat het ook in het menselijk lichaam: wanneer bepaalde energiekanalen in het lichaam geblokkeerd raken, kunnen zich op die plaats allerlei kwaaltjes ontwikkelen.
De geneesheren uit het oude China draaiden dit principe in feite gewoon om: zij beschouwden elke complicatie, kwaal of ziekte als een blokkade van energiekanalen in het lichaam. Door deze blokkades op te heffen en de vrije doorstroming van energie te herstellen, kan de ziekte of kwaal worden verholpen.
Dit is uiteindelijk het basisprincipe van bijvoorbeeld acupunctuur. Door kleine naalden te plaatsen op cruciale punten in het lichaam, probeert men de energiekanalen te deblokkeren. Daardoor kan de energie opnieuw vrij doorstromen, en wordt het gezondheidsprobleem op natuurlijke wijze verholpen. Tegenwoordig noemen we dit ‘alternatieve geneeskunde’. In het oude China was het echter een volwaardig onderdeel van de geneeskunde zelf.
Maar er was nóg iets dat in de traditionele Chinese geneeskunde werd toegepast als krachtig medicijn — iets wat we misschien niet meteen zouden verwachten: we hebben het dan over de geneeskrachtige werking van … muziek!

Het menselijk lichaam werd vanuit de taoïstische denkwijze voorgesteld als een ‘klein universum’.

Muziek werd gebruikt als een medicijn. Maar hoe ging dit dan precies in zijn werk? Laten we eerst en vooral even stilstaan bij de Chinese muziek zelf.
Chinese muziek herken je meteen: er is een duidelijk verschil tussen Chinese en westerse muziek. Maar waar ligt dat verschil precies? Sommigen denken misschien dat het vooral te maken heeft met de klank van Chinese instrumenten. Het klopt dat de typische klank van deze instrumenten bijdraagt aan het unieke karakter van de Chinese muziek. Maar toch ligt het wezenlijke verschil niet zozeer in de keuze van de instrumenten, maar in de manier waarop Chinese muziek wordt gecomponeerd
Westerse muziek is gebaseerd op de chromatische tonenreeks, die is opgebouwd uit twaalf tonen. Om dit het eenvoudigst voor te stellen, gebruiken we bij voorkeur het pianoklavier: binnen één octaaf zijn er twaalf afzonderlijke tonen, vertegenwoordigd door twaalf toetsen op het pianoklavier. Dit vormt de chromatische tonenreeks.
Muzikale genieën zoals Mozart, Beethoven en Bach componeerden hun meesterwerken binnen de grenzen van de chromatische tonenreeks.
Chinese muziek is echter anders en wordt geschreven volgens de pentatonische tonenreeks. In plaats van twaalf tonen, telt de pentatonische tonenreeks slechts vijf tonen. Opnieuw op het pianoklavier is dit heel eenvoudig voor te stellen: het gaat namelijk enkel om de zwarte toetsen. Wanneer je alleen de zwarte toetsen bespeelt, klinkt het automatisch als Chinese muziek — en dat is geen toeval.
Er is trouwens iets bijzonders aan de pentatonische tonenreeks: je kunt namelijk de zwarte toetsen in willekeurige volgorde bespelen, en het zal altijd harmonieus blijven klinken. Als je eindigt op dezelfde toets waarmee je begon, maak je je eigen muzikaal meesterwerk af — en heb je Chinese muziek gecomponeerd. Zo eenvoudig is het. Er bestaat blijkbaar een natuurlijke harmonie die ontstaat bij het componeren van Chinese muziek, omdat de tonen van de pentatonische tonenreeks op een harmonische wijze met elkaar verbonden zijn.
Dat het hierbij om vijf tonen gaat, is eveneens geen toeval. Deze vijf tonen zijn namelijk gekoppeld aan een belangrijk onderdeel van opnieuw de taoïstische denkwijze, namelijk de theorie van de vijf elementen.
Vanuit de taoïstische denkwijze zegt men dat alle materie in ons universum is opgebouwd uit vijf elementen: metaal, water, hout, vuur en aarde. Soms wordt dit ook wel de ‘Chinese tabel van Mendelejev’ genoemd. Er bestaat blijkbaar een verband tussen deze vijf elementen en de vijf tonen van de pentatonische tonenreeks. Daarnaast zijn de vijf elementen eveneens verbonden met de vijf vitale organen van het menselijk lichaam.
Met andere woorden: muziek die wordt gespeeld volgens de pentatonische tonenreeks heeft een directe harmonische inwerking op de vijf vitale organen, en daarmee dus eigenlijk op ons hele gestel. Het harmoniseert het lichaam, dat op een natuurlijke wijze tot rust komt, en hierin schuilt het geheim van de geneeskrachtige werking van Chinese muziek.


Chinese muziek maakte op die manier deel uit van de Chinese geneeskunde. Het is dan ook opmerkelijk te weten dat in het oude China, aan het keizerlijk hof, de meest gerespecteerde geneesheer vaak de zogenaamde “muziekdokter” was. En wat hij zijn patiënten voorschreef, was muziek gebaseerd op deze kennis.
Het overgrote deel van deze kennis is in de moderne tijd, stap voor stap verloren gegaan. Dit hangt samen met een belangrijk kenmerk van de oude ‘meesters uit het Verre Oosten’, die ervan uitgingen dat als ze tijdens hun leven niemand hadden ontmoet die zij waardig achtten om de kennis te dragen, zij die kennis mee zouden nemen in het graf. Tegenwoordig kennen we vaak enkel nog het basisprincipe.
Tussen de regels...
Muziek wordt een kruid

Ook in de oudste vorm van het Chinese schrift is de link tussen geneeskunde en muziek nog terug te vinden.
Het karakter aan de linkerkant is het oorspronkelijke Chinese karakter voor ‘muziek’. Als we hier het radicaal voor ‘kruiden’ aan toevoegen, ontstaat er een nieuw, samengesteld karakter met een eigen betekenis: het Chinese karakter voor ‘geneesmiddel’.
Zo zien we hoe, ook volgens de oorspronkelijke Chinese schrijfwijze, muziek — gebruikt als een kruid — een geneesmiddel werd.
De Chinese geneeskunde onderscheidde zich dus van onze westerse geneeskunde, enerzijds door een zeer brede kennis van kruiden en drankjes, maar anderzijds ook door een filosofische grondslag die was gebaseerd op de voortdurende zoektocht naar balans en evenwicht tussen lichaam en geest, en naar harmonie tussen mens en natuur.

Tussen de regels...
Traditionele Chinese instrumenten
De twee belangrijkste traditionele Chinese instrumenten zijn enerzijds de Pipa, de Chinese luit, en anderzijds de Erhu, de tweesnarige Chinese viool.
Over de Erhu wordt wel eens gezegd dat dit het instrument is dat het dichtst aanleunt bij de menselijke stem: het klinkt werkelijk als gezang en heeft een zeer expressieve klank. Het is bovendien een van de oudste Chinese instrumenten, met een geschiedenis van meer dan 4000 jaar.
De Pipa is een viersnarige luit en wordt ook wel ‘de koning van de Chinese instrumenten’ genoemd. In een ensemble van traditionele Chinese instrumenten zie je dan ook vaak dat de Pipa centraal staat opgesteld, met daaromheen alle andere instrumenten.

Chinese instrumenten

3.4 Klassieke Chinese dans
Ook klassieke Chinese dans is geworteld in het spirituele fundament van de authentieke Chinese cultuur. Naast ballet is het een van de meest verfijnde en allesomvattende danssystemen ter wereld. Klassieke Chinese dans bestaat in feite uit drie fundamentele componenten: Vorm, Techniek en … “Yun” (韻).
De eerste component is de ‘Vorm’: dit verwijst naar de fysieke structuur van de dans — de bewegingen en houdingen die samen het dansvocabulaire vormen. De klassieke Chinese dans vindt eigenlijk zijn oorsprong in de krijgskunst. Het ontstond aan het Keizerlijk hof en de oorspronkelijke dansers waren vaak krijgers die de bewegingen die ze kenden uit de krijgskunsten gebruikten in de dans.
Bovendien wordt het Chinese karakter voor ‘dans’ (舞) uitgesproken als [wǔ] terwijl het karakter voor ‘krijgskunst’ (武) eveneens wordt uitgesproken als [wǔ]. Vanuit de Chinese taal gaat het in feite om hetzelfde en Chinezen beschouwen deze twee begrippen als twee zijden van dezelfde medaille: de zachte en de strijdvaardige kant. Strikt genomen is de klassieke Chinese dans dus ontstaan vanuit de krijgskunst.
De tweede component is de ‘Techniek’: We hebben het dan over spectaculaire sprongen, salto’s en andere veeleisende acrobatische bewegingen. Deze technieken vinden in feite hun oorsprong in de klassieke Chinese dans. Veel van deze spectaculaire bewegingen zijn in latere tijden overgenomen door andere podiumkunsten alsook de moderne gymnastiek. In feite zijn het bewegingen die een geschiedenis hebben van duizenden jaren, en hun oorsprong ligt in de klassieke Chinese dans.
Maar de derde component heet ‘Yun’. Dit is de belangrijkste — en tegelijk het moeilijkst te vertalen. Je zou het kunnen omschrijven als de essentie of de ziel van de dans. Het gaat om de innerlijke uitstraling van de danser(es): diens persoonlijke aura, intentie, ademhaling, en diepgevoelde emotionele expressie.
Yun is het innerlijke dat via uiterlijke beweging tot uiting komt — een boodschap aan het publiek. Het weerspiegelt het streven naar innerlijke schoonheid en zuiverheid, dat centraal stond in de artistieke traditie van het oude China. Men geloofde dat alleen wie zelf iets zuivers en moois cultiveerde, dat ook aan het publiek kon overbrengen.

3.5 Traditionele Chinese bouwkunst
De vele tempels en pagodes uit het oude China getuigen van een diepgewortelde spiritualiteit, maar in wezen was de traditionele Chinese bouwkunst ten tijde van de keizers en dynastieën op zich al een manifestatie van spirituele harmonie. Geen enkel detail was toevallig en elke lijn, elke verbinding en elk materiaal diende het hogere doel van harmonie tussen mens, natuur en het goddelijke.
De Verboden Stad – Hemelse ordening op aarde
De Verboden Stad in Peking is gebouwd volgens het principe van het Hemelse Mandaat (天命, tiānmìng). Het keizerlijke paleis werd gezien als het centrum van het universum, waar hemel en aarde samenkomen, terwijl de keizer fungeerde als de schakel die hemel en aarde met elkaar verbindt, degene die de wil van de Hemel op aarde moest uitvoeren, zowel op spiritueel als maatschappelijk vlak.
De plattegrond van de Verboden Stad was in feite een strikte toepassing van de zogenaamde ‘Feng Shui’, een leer die streeft naar harmonie tussen mens, aarde en kosmos. Paleizen, tempels, graftombes, en zelfs hele steden werden in China ontworpen volgens de principes van Feng Shui (wind en water). Het was geen vorm van decoratief bijgeloof maar een fundamentele wetenschap in dienst van harmonie, voorspoed en stabiliteit.
Zo is er in de Verboden Stad de opstelling in de noord-zuid-as, met de belangrijkste poorten en gebouwen perfect georiënteerd naar het zuiden (symbool van licht, leven en keizerlijke kracht). Een beschermende berg (de Jingshan-heuvel) werd kunstmatig opgeworpen aan de noordzijde van de stad, als een ‘schild’ tegen kwaadaardige noordelijke winden. Aan de zuidkant stroomde de rivier, wat werd gezien als het kanaal waarlangs geluk en voorspoed het rijk binnen konden stromen. Dit was allemaal gebaseerd op Feng Shui-principes, waarbij de ligging t.o.v. bergen, waterlopen en windrichtingen werd bepaald via geomantische kompasmetingen, voor het bepalen van de ideale oriëntatie en positie van een gebouw of graf ten opzichte van de natuurlijke omgeving (bergen, water, windrichtingen). De bedoeling was om de kosmische energie (qi) te optimaliseren. De kennis van de Feng Shui-meesters werd aan het keizerlijk hof vaak streng bewaakt of enkel in besloten kring gedeeld.
Boeddhistische en taoïstische tempelarchitectuur
Boeddhistische pagodes, zoals de Wilde Gans-pagode in Xi’an, dienden niet enkel als bewaarplaatsen voor heilige relieken, maar symboliseerden ook het pad naar verlichting, waarbij de opbouw in lagen de opeenvolgende niveaus van spirituele verheffing weerspiegelde.
De Wilde Gans-pagode werd gebouwd in 652 n.Chr., tijdens de Tang-dynastie, onder keizer Gaozong. De stad Xi’an heette in die tijd Chang’an, de hoofdstad van China.
De pagode werd opgericht om de boeddhistische geschriften te bewaren die de monnik Tang Xuanzang had meegebracht na zijn reis naar India (zie Reis naar het Westen onderaan dit hoofdstuk). Het complex groeide uit tot een vertaalcentrum voor de boeddhistische teksten: Xuanzang en zijn leerlingen werkten er jarenlang aan de vertaling van de soetra’s uit het Sanskriet naar het Chinees.
Vandaag de dag is de Wilde Gans-pagode een UNESCO-werelderfgoedlocatie en een icoon van Xi’an, dat zowel toeristen als pelgrims van over de hele wereld aantrekt.
Taoïstische tempels daarentegen werden vaak op afgelegen bergtoppen gebouwd, in lijn met het taoïstische ideaal van eenwording met de natuur en het streven naar onsterfelijkheid.
Geen gebruik van spijkers of schroeven
In het oude China werd het hout dat voor bouwprojecten werd gebruikt met uiterste zorg geselecteerd en bewerkt. Bij voorkeur gebruikte men lokaal gewonnen materialen om de harmonie tussen bouwwerk en omgeving te bewaren. Zelfs de groeirichting van de boom bepaalde hoe het hout in de constructie werd geplaatst.
In veel traditionele Chinese houten gebouwen — zoals paviljoens, tempels en bruggen — werd geen enkele spijker of schroef gebruikt. In plaats daarvan paste men verfijnde houtverbindingen toe, zoals pen-en-gatverbindingen, zwaluwstaarten en andere ingenieuze technieken. Deze methode, bekend als dougong (斗拱), was meer dan puur vakmanschap: ze had ook een spirituele dimensie. Door het hout niet te ‘verwonden’ met metaal bleef het materiaal in zijn natuurlijke staat en kon het zijn levensenergie behouden. Het resultaat was een flexibele, veerkrachtige structuur die zelfs zware aardbevingen kon weerstaan.
Er bestaan nog houten tempels uit de Tang-dynastie die meer dan duizend jaar oud zijn. Het zijn niet alleen architectonische meesterwerken, maar ook levende monumenten. De oudste nog bestaande houten tempel in China is de Nanchan-tempel, die werd gebouwd tijdens de Tang dynastie in het jaar 782. Het hoofdgebouw, de Grote Boeddhahal, is volledig opgetrokken zonder spijkers of schroeven, met behulp van in elkaar grijpende houten verbindingen volgens de traditionele dougong-structuur.
Ook de Wilde Gans-pagode in Xi’an (zie hierboven), als een van de bekendste boeddhistische bouwwerken uit de Tang Dynastie, raakte bij meerdere aardbevingen zwaar beschadigd, maar bleef altijd overeind. Xi’an ligt in een seismisch gebied en de scheuren in het gebouw zijn tegenwoordig nog zichtbaar, wat eveneens bijdraagt aan zijn historische charme.

De Verboden Stad in Peking werd gebouwd in de periode 1406–1420 in opdracht van de derde Ming-keizer Yongle (朱棣). Daarna diende het bijna 500 jaar lang (tot en met de Qing-dynastie) als de residentie van Chinese keizers en als politiek centrum van het Chinese rijk.

Het gebruik van goudgele geglazuurde dakpannen (de kleur van de keizer) was uitsluitend voorbehouden aan het keizerlijk paleis.

Het uitzicht op de Verboden Stad vanaf de Jingshan-heuvel toont de perfecte symmetrie en grootschaligheid van het paleiscomplex. Je kan van daaruit duidelijk de centrale as herkennen, met de poorten en paleizen die trapsgewijs naar het zuiden zijn georiënteerd.

De Wilde Gans-pagode was oorspronkelijk 5 verdiepingen hoog (ongeveer 60 m), later werd ze verhoogd tot 10 en weer teruggebracht naar 7 verdiepingen (nu ca. 64 m hoog).

De Grote Boeddhahal van de Nanchan-tempel geldt als het oudste nog bestaande houten gebouw van China (gebouwd in 782 n.Chr). Het toont typische Tang-stijlkenmerken: een stevige houten constructie, dakoverstekken en een sobere uitstraling.

Een dougong is een traditioneel Chinees bouwkundig element dat bestaat uit een reeks houten blokken (dou, 斗) en liggers of armen (gong, 拱) die naar buiten uitsteken. Op de eerste laag wordt opnieuw een blok (dou) geplaatst, met daarboven weer liggers (gong). Dit proces kan meerdere keren worden herhaald, waardoor een gestapelde constructie ontstaat. Hoe meer lagen, hoe verfijnder en krachtiger de verbinding.
In een poging te begrijpen hoe de Verboden Stad in Peking door de eeuwen heen zoveel aardbevingen heeft doorstaan, bouwden onderzoekers een schaalmodel van een van de paleisgebouwen en plaatsten dit op een trilplaat om seismische activiteit te simuleren. Het model, gebouwd op een schaal van één op vijf, werd blootgesteld aan kunstmatige aardbevingen. Het weerstond niet alleen een beving van 9,5 op de schaal van Richter (de zwaarste aardbeving ooit gemeten) maar stortte zelfs bij een gesimuleerde aardbeving van 10,1 nog steeds niet in.
Tussen de regels...
De verborgen kracht van Japanse pagodes
Rond de periode van de Tang-dynastie, konden het boeddhisme en daarmee ook de architectonische principes zich vanuit China ook naar Japan verspreidden. Ook in Japan, een van de meest seismisch actieve gebieden ter wereld, zijn er pagodes bewaard gebleven van soms meer dan 1000 jaar oud die tientallen zware aardbevingen hebben doorstaan zonder ooit ingestort te zijn. Een beroemd voorbeeld is de pagode van de Hōryū-ji-tempel in Nara, die nog steeds overeind staat. De pagode is meer dan 1400 jaar oud. Het wordt aanzien als het oudste houten gebouw ter wereld (voltooid rond het jaar 607).
De pagode telt vijf verdiepingen en werd gebouwd in opdracht van prins Shōtoku, een sleutelfiguur in de verspreiding van het boeddhisme in Japan. Ondanks aardbevingen en blikseminslagen bleef de pagode overeind, wat haar een bijna mythische status geeft.
Wat is dan het geheim van deze houten pagodes? In het hart van deze traditionele Japanse pagodes staat een enkele verticale houten zuil, vaak gemaakt uit één lange boomstam. Deze kolom heet de shinbashira en is zwevend opgehangen: hij rust niet direct op de fundering, maar hangt vanaf het dak tot dicht bij de grond. In sommige pagodes raakt de kolom zelfs helemaal niet de grond. Dit lijkt op het eerste gezicht instabiel, maar het tegendeel is waar. Tijdens een aardbeving bewegen de verschillende verdiepingen van de pagode onafhankelijk van elkaar, als losse segmenten. De shinbashira werkt als een demper: hij absorbeert en verspreidt de trillingen over de structuur, waardoor het hele gebouw gaat meebewegen in plaats van te breken.

In de kern van de pagode van de Hōryū-ji-tempel in Nara, onder de voet van de verticale houten pilaar (shinbashira), ligt volgens de overlevering een relikwie van Boeddha Shakyamuni begraven. Na het heengaan van Shakyamuni, zo’n 2.500 jaar geleden, werden zijn beenderen en as onder zijn volgelingen verdeeld. Een deel van deze relikwieën zou zijn bijgezet op ongeveer drie meter diepte onder de voet van deze pagode.

Het Hōryū-ji-tempelcomplex in Nara, met op de achtergrond de beroemde vijf verdiepingen tellende pagode.
“Slijp de bijl voor je begint te hakken”
Dit oude Chinese gezegde benadrukt de voorbereiding van het werkgereedschap. Maar wat daarbij opvalt, is dat die voorbereiding vaak evenveel tijd in beslag nam als het werk zelf. Schrijnwerkers in het oude China besteedden soms dagen aan het zorgvuldig slijpen, afstellen en stemmen van hun werktuigen. Dit werd niet als tijdverlies gezien. Het maakte deel uit van het spirituele en rituele proces: je kon pas goede dingen maken als je zelf in harmonie was, en je werktuigen dat ook waren. Deze zorgvuldige gedisciplineerde voorbereiding kan aanzien worden als een vorm van meditatie, een eerbetoon aan zowel het werk als aan de natuurlijke materialen die werden gebruikt.


3.6 Eeuwenoude mythen en legenden
De vele verhalen uit het oude China illustreren hoe er door de eeuwen heen een samenleving ontstond waarin mensen voortdurend op zoek waren naar – laten we zeggen – de betere kant van zichzelf. Studenten mediteerden eerst een tijdje voordat ze het penseel opnamen om karakters te schrijven, terwijl een kok ervan overtuigd was dat, als hij zijn gerechten met een zuiver hart bereidde, het eten minder zwaar op de maag zou liggen bij zijn klanten.
Zo is er een bekend verhaal over Yang Zhen, een hoge functionaris uit het oude China, die tevens bekendstond als een deugdzaam leermeester. Op een avond kreeg hij bezoek van een van zijn voormalige leerlingen. De jongeman groette eerbiedig zijn meester en sprak: “Meester, u hebt zoveel voor mij gedaan en mij zoveel geleerd. Als blijk van mijn dankbaarheid zou ik u een geschenk willen aanbieden.” Daarop haalde hij een klein zijden zakje tevoorschijn, gevuld met goud. “Deze goudstukken zijn voor u, als dank voor alles wat u mij hebt bijgebracht.”
Maar Yang Zhen antwoordde kalm: “Uw gebaar is oprecht en ik waardeer het ten zeerste, maar een dergelijk geschenk kan ik niet aannemen.” De leerling drong aan: “Meester, ik zou het u toch graag willen aanbieden. Trouwens, we zijn hier alleen — alleen u en ik. Niemand zal weten dat ik het u gegeven heb, nietwaar?”
Er viel een korte, geladen stilte. Yang Zhen wees vervolgens met rustige ernst naar de hemel en zei: “De hemel weet het. De aarde weet het. Jij weet het, en ik weet het. Hoe kun je dan zeggen dat niemand het weet?” Zijn leerling begreep ogenblikkelijk dat hij een ernstige misstap had begaan. Zonder een woord te zeggen, boog hij diep, keerde zich om en verliet in stilte de kamer.
Het is een van de vele korte verhalen uit het oude China die laat zien hoe mensen van alle rangen en standen probeerden om volgens de juiste normen en waarden te leven — en tegelijk anderen wilden inspireren om hetzelfde te doen. Een verhaal dat klinkt als een sprookje.
Tussen de regels...
‘Reis naar het Westen’
Het verhaal van de magische Apenkoning
Wellicht het bekendste en tevens een van de meest invloedrijke verhalen uit het oude China is dat van Sun Wukong — de magische Apenkoning.
Het vertelt het verhaal van de boeddhistische monnik Tang Xuanzang die, op aangeven van de keizer, op pelgrimstocht vertrekt naar India, op zoek naar de heilige boeddhistische geschriften. Tijdens zijn reis wordt hij bijgestaan door drie bijzondere helpers: een varken, een trol, en de onstuimige en magische Apenkoning.
Het verhaal van de Apenkoning — ook wel bekend als ‘reis naar het Westen’ — is in feite een spirituele reis, opgedeeld in 81 hoofdstukken die overeenkomen met de 81 beproevingen die de pelgrims moeten doorstaan op hun weg naar verlichting.
Het boek wordt aanzien als een van de vier grote klassiekers uit de Chinese literatuur (samen met ‘de roman van de drie koninkrijken’, ‘de wateroever’ en ‘droom van de rode kamer’ ). ‘Reis naar het Westen’ heeft in China door de eeuwen heen een erg diepe culturele, literaire en filosofische invloed gehad. Dit boek is dan ook het meest gedrukte boek in China.
Het is tegelijk ook het op één na meest gedrukte boek ter wereld — na de Bijbel.


De rechterfoto toont het standbeeld van Tang Xuanzang, ter ere van zijn historische pelgrimstocht naar India. Op de achtergrond staat de Wilde Ganspagode. Tang Xuanzang reisde meer dan 16 jaar te voet van China naar India om daar boeddhistische geschriften te bestuderen. Hij bracht bijna 700 teksten mee terug naar China, die vervolgens werden vertaald en bewaard in de Wilde Ganspagode. Xuanzang groeide daardoor uit tot een icoon in heel Oost-Azië. Zijn reis vormde tevens de inspiratie voor het klassieke Chinese meesterwerk Reis naar het Westen (Journey to the West), waarin hij verschijnt als de monnik Tang Sanzang.



