Hoofdstuk 9 : De vervolging van Falun Gong
Nog eens tien jaar later, in juli 1999, volgde een nieuwe golf van onderdrukking die een enorme en blijvende impact zou hebben op de Chinese samenleving.
Ditmaal ging het echter om iets totaal anders, een verhaal dat bij veel mensen in het Westen nauwelijks bekend is: We hebben het dan over de grootschalige vervolging van Falun Gong die opnieuw een schokgolf door het hele land stuurde.
​
Waar eerdere campagnes zich richtten tegen intellectuelen, dissidenten of etnische minderheden—en nog konden worden begrepen binnen het klassieke repertoire van politieke zuiveringen—onthulde de vervolging van Falun Gong een ander, dieper liggend mechanisme: het totalitaire instinct van de CCP die de mens niet enkel wil beheersen, maar wil hervormen volgens een ideologie die veel verder reikt dan het zichtbare oppervlak van de samenleving.

9.1 Wat is Falun Gong?
Falun Gong, ook wel Falun Dafa genoemd, is een traditionele Chinese beoefeningswijze voor de verfijning van lichaam en geest. In 1992 werd de praktijk in China geïntroduceerd bij het grote publiek door qigong-grootmeester Li Hongzhi. Hij combineerde meditatie en qigong-oefeningen met een morele levensfilosofie die gebaseerd is op drie kernprincipes: Zhen, Shan, Ren — ofwel Waarachtigheid, Mededogen en Verdraagzaamheid.
Het waren opnieuw diezelfde traditionele normen en waarden, die we eerder ook al benoemden als de kernprincipes van de drie grote leerscholen, die dankzij Falun Gong geleidelijk aan hun weg terugvonden naar de harten van het Chinese volk.
Kort na de introductie aan het grote publiek viel Falun Gong al in de prijzen. Zowel in 1992 als in 1993 ontving de praktijk tijdens de Oosterse Gezondheidsbeurs in Peking de hoogste onderscheidingen — een bijzonder prestigieuze erkenning voor een dergelijke oefenmethode. Meester Li Hongzhi kreeg er de titel “Meest Bekroonde Qigongmeester”.
Geworteld in de authentieke Chinese cultuur, werd Falun Gong in zeer korte tijd een immens populaire praktijk. Overal in China ontstonden oefenplaatsen in parken en op pleinen, waar beoefenaars elke ochtend samenkwamen om de oefeningen gezamenlijk te doen. Deze oefenplaatsen namen snel toe, zowel in aantal als in omvang. Zelfs partijfunctionarissen en militairen bevonden zich onder de beoefenaars terwijl de Chinese staatsmedia Falun Gong openlijk prees om de positieve impact op de volksgezondheid. Falun Gong groeide uit tot een ware volksbeweging
​

Het eerste boek dat vescheen over de beoefeningswijze was ‘China Falun Gong' (1993). Nadien werden de transcripties van Meester Li’s lezingen samengebracht in het boek ‘Zhuan Falun' (1995). Ter gelegenheid van de publicatie werd een openbare ceremonie gehouden in het auditorium van het Ministerie van Binnenlandse Veiligheid. Zhuan Falun werd het basiswerk van de beoefening en vanaf de eerste uitgave in 1995 verspreidde het boek zich razendsnel door heel China. Het boek wordt een bestseller en het aantal Falun Gong-beoefenaars in China groeide exponentieel.
​
Dat juist een spiritueel werk in een officieel atheïstische staat een bestseller werd, getuigt van de spirituele honger van het Chinese volk alsook de kracht van het boek. Voor velen betekende Zhuan Falun een terugkeer naar traditionele normen en waarden en de essentie van de authentieke Chinese cultuur. Het boek werd ook in het Nederlands vertaald en kan gratis worden gedownload via de officiële Falun Dafa-website: www.falundafa.org.

In mei 1992 begon qigong-grootmeester Li Hongzhi in zijn woonplaats Changchun, in het noordoosten van China, met het onderwijzen van Falun Gong.

Meester Li tijdens een lezing in Wuhan in 1993.


Onderscheidingen en erkenningen die Meester Li wereldwijd heeft ontvangen.

Meester Li tijdens een lezing in Wuhan in 1993.
Van 1992 tot 1994 gaf Meester Li Hongzhi lezingen door heel China. Zo’n lezingenreeks, waarin hij de beoefeningswijze onderwees, werd gespreid over acht tot tien dagen. Het aantal deelnemers liep soms op tot meer dan 6000 personen per lessenreeks.


Eén van de vele oefenplaatsen in Peking

Falun Gong werd in slechts enkele jaren tijd razend populair in China.

Falun Gong werd grotendeels verspreid via gratis oefenplaatsen op pleinen en in parken doorheen heel China. De oefeningen werden geheel gratis aangeleerd op de vele oefenplaatsen waar lokale beoefenaars samenkwamen om de oefeningen te doen terwijl ze nieuwkomers de kans gaven om de oefeningen te leren. Meester Li Hongzhi begon vanaf 1995 ook in het buitenland lezingen te geven. Hij gaf in dat jaar een zevendaagse lezing in de Chinese ambassade in Parijs op uitnodiging van de Chinese ambassadeur in Frankrijk, gevolgd door een tweede serie in mei 1995 in Zweden. Tegenwoordig wordt Falun Gong wereldwijd beoefend in meer dan 80 landen.

​Het Chinese ministerie van Openbare Veiligheid is verantwoordelijk voor alle aspecten van nationale veiligheid, gaande van regulier politiewerk tot inlichtingen, contraspionage en het onderdrukken van politieke en sociale sentimenten die tegen de CCP gericht zijn.
Op 21 september 1993 publiceerde het dagblad van het Chinese Ministerie van Openbare Veiligheid een artikel waarin Meester Li Hongzhi werd geprezen voor zijn bijdrage aan ...
... de bevordering van sociale orde en veiligheid, evenals voor het uitdragen van rechtschapenheid in de samenleving.

9.2 Opnieuw donkere wolken boven Peking
Maar door de groeiende populariteit van Falun Gong begon het regime in Peking steeds nerveuzer te reageren.
De Chinese overheid eiste in februari 1995 dat de CCP vertegenwoordigd zou zijn binnen de Falun Gong-vereniging. Op die manier zou de partij ook lidgeld kon innen van alle beoefenaars. Meester Li Hongzhi weigerde hiermee akkoord te gaan. Hij wilde dat Falun Gong geheel kosteloos en zonder enge vorm van lidmaatschap voor iedereen beschikbaar bleef. In 1996 trok Falun Gong zich zelfs terug uit de Chinese Vereniging voor Qigong-Wetenschappelijk Onderzoek, die volledig onder controle valt van de Chinese overheid.
In een poging van Meester Li om de praktijk vrij te houden van politieke invloeden, werd Falun Gong onverhoeds de grootste gemeenschap in China die volledig buiten de controle van de Chinese Communistische Partij viel. De populariteit bleef ondertussen nog steeds groeien en Falun Gong ontwikkelde zich tot de ‘meest populaire vorm van Qigong ooit in de hele geschiedenis van China’, en het aantal beoefenaars liep op tot meer dan 70 miljoen. Eind jaren ’90 kwam dat neer op zo’n 1 op de 15 Chinezen. Vrijwel iedereen kende wel iemand binnen familie, vrienden of buren die Falun Gong beoefende.
​
​Daarnaast waren er in diezelfde periode zo’n 60 à 70 miljoen actieve leden binnen de Chinese Communistische Partij. Met meer dan 70 miljoen Falun Gong-beoefenaars was Falun Gong in de ogen van het regime als het ware ‘populairder’ geworden dan het communisme zelf — iets wat voor de partij volstrekt onaanvaardbaar was.
​

Vóór het begin van de vervolging door het Chinese regime werd Falun Gong geprezen in Chinese kranten, zoals in dit voorbeeld uit de Yangcheng Evening News van november 1998.

In 1998 werden door verschillende Chinese overheidsinstanties onderzoeken uitgevoerd naar Falun Gong. Qiao Shi, voormalig voorzitter van het Staande Comité van het Nationale Volkscongres, liet dat jaar een uitgebreid onderzoek instellen. Maar na maandenlang onderzoek concludeerde hij: "Falun Gong biedt het Chinese volk en de natie alleen maar voordelen zonder enig schadelijk effect."
Ook het Nationale Sportcomité van China voerde een eigen studie uit. Op 20 oktober 1998 verklaarde de hoofdonderzoeker: “Wij zijn ervan overtuigd dat de oefeningen en de effecten van Falun Gong uitstekend zijn. Het heeft op buitengewone wijze bijgedragen aan de verbetering van de moraal en de stabiliteit van de samenleving."
In februari 1999 wees een vertegenwoordiger van het Sportcomité, in een interview met U.S. News & World Report, zelfs op aanzienlijke besparingen in de Chinese gezondheidszorg die aan de beoefening van Falun Gong werden toegeschreven.
Voor de partij waren dit echter juist de conclusies die men níét wilde horen.
Falun Gong werd door het regime meer en meer ervaren als een ‘brug naar het verleden’ — een weg terug naar dat deel van de Chinese cultuur dat tijdens de Culturele Revolutie door de CCP doelbewust was onderuit gehaald en vernietigd. En omdat het Chinese volk er massaal op inging, zag de Partij dit als een regelrechte bedreiging voor haar eigen ideologie, gebaseerd op absoluut materialisme en absoluut atheïsme.

9.3 Falun Gong op de verboden lijst
Op 24 april 1999 werden in Tianjin — een grote havenstad ten zuidoosten van Peking — een groep Falun Gong-beoefenaars gearresteerd omdat zij hadden geprotesteerd tegen een lasterlijk artikel over Falun Gong (en qigong in het algemeen), dat was verschenen in een universiteitsmagazine. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje en één dag later, op 25 april 1999, verzamelden meer dan 10.000 beoefenaars bij het petitiekantoor in Peking, vlakbij Zhongnanhai — het ommuurde regeringscomplex en zenuwcentrum van de Chinese Communistische Partij, in het hart van de hoofdstad, vlak naast de Verboden Stad.
De bedoeling was om een petitie in te dienen en te pleiten voor een officiële erkenning van Falun Gong als beoefeningswijze in China. Het petitiekantoor in Peking lag vlakbij Zhongnanhai. Maar omdat de groep zo groot was, leidde de politie hen naar de straten rond Zhongnanhai. Zo ontstond het narratief dat Falun Gong-beoefenaars het hart van de macht in Peking zouden hebben ‘belegerd’ en ‘omsingeld’— een verzonnen dreiging die de spanning in Zhongnanhai deed zinderen.
De aanwezige beoefenaars gedroegen zich zo voorbeeldig mogelijk en probeerden de essentie van hun spirituele praktijk te tonen. Ze demonstreerden de oefeningen in stilte, gebruikten geen slogans of spandoeken, en lieten ruimte vrij voor voorbijgangers.
Tot ieders verbazing werd in de loop van de dag een delegatie van beoefenaars rechtstreeks ontvangen door premier Zhu Rongji. De ontmoeting vond plaats binnen de muren van Zhongnanhai — een hoogst uitzonderlijke gebeurtenis. Premier Zhu Rongji luisterde persoonlijk naar hun verhaal en gaf aan dat ze zich geen zorgen hoefden te maken. Enkele uren later volgde het bericht dat de in Tianjin opgepakte beoefenaars waren vrijgelaten.
Iedereen reageerde opgelucht en kort daarna keerden alle Falun Gong-beoefenaars vreedzaam huiswaarts — maar niet zonder eerst de straten schoon te maken. Zelfs de sigarettenpeuken van de opgetrommelde agenten werden opgeraapt, als blijk van goede wil.
Het leek even een incident met een uitzonderlijk goede afloop — een zeldzaam moment van hoop in de moderne Chinese geschiedenis. De Chinese overheid werd hiervoor zelfs geprezen door de buitenlandse pers omdat ze er — voor het eerst sinds de studentenopstand van '89 — in was geslaagd een gespannen situatie op te lossen via een constructieve dialoog.
Maar de toenmalige president en partijleider Jiang Zemin dacht daar heel anders over. De vreedzame aanwezigheid van duizenden Falun Gong-beoefenaars nabij Zhongnanhai, amper tien jaar na de studentenprotesten in Peking, had hem woedend gemaakt en hij zag het als een persoonlijke vernedering. Premier Zhu Rongji, die nog had geprobeerd de dialoog gaande te houden, werd tijdelijk op non actief gezet en alsof de hemel plots openbrak, volgde op 20 juli 1999 de officiële aankondiging dat de beoefening van Falun Gong verboden werd in heel China.
Maar al snel werd duidelijk dat het Chinese volk deze praktijk niet zomaar wilde opgeven. Vanuit het hele land trokken Falun Gong-beoefenaars naar het Tiananmenplein om hun stem te laten horen. Ze toonden banners met daarop de drie kernprincipes Zhen-Shan-Ren (Waarachtigheid, Mededogen, Verdraagzaamheid) en slogans als “Falun Dafa is goed”. Sommigen demonstreerden de meditatieve oefeningen, in de hoop dat het regime alsnog het vreedzame karakter van Falun Gong zou erkennen.
Het mocht echter niet baten en het verbod escaleerde razendsnel tot de meest genadeloze onderdrukkingscampagne in het moderne China.

Meer dan 10.000 Falun Gong beoefenaars verzamelen aan het petitiekantoor in Peking op 25 april 1999.

Het petitiekantoor in Peking ligt vlakbij Zhongnanhai, het zenuwcentrum van de Chinese Commuistische Partij.

De CCP gaf een misleidende voorstelling van de bijeenkomst van 25 april, door die af te schilderen als een “belegering” van het regeringscomplex.

Beoefenaars probeerden het vreedzame karakter van de oefenwijze te laten zien door de meditatieoefeningen te demonstreren, maar het mocht niet baten.

Drie maanden later, op 20 juli 1999, kondigde de Chinese overheid officieel het verbod op Falun Gong af. Jiang Zemin (links), toenmalig partijvoorzitter, ontketende daarop een meedogenloze vervolgingscampagne tegen de beweging. Premier Zhu Rongji (rechts) kreeg intussen zware kritiek te verduren, omdat hij op 25 april 1999 in Zhongnanhai een delegatie van Falun Gong-beoefenaars had ontvangen.

9.4 Brutale vervolging
Partijleider Jiang Zemin gaf een drievoudig bevel: "verniel hun reputatie, ruïneer ze financieel en vernietig ze desnoods fysiek." Daarmee zette hij het volledige Chinese staatsapparaat in gang om de vervolging van Falun Gong-beoefenaars uit te voeren. Het had een enorme impact op de hele samenleving. Door de ongekende populariteit van Falun Gong raakte vrijwel iedereen in China, rechtstreeks of onrechtstreeks, betrokken bij deze vervolgingscampagne. Buren begonnen elkaar te verklikken. Kinderen werden van school gestuurd zodra bleek dat hun ouders Falun Gong beoefenden. Mensen verloren hun baan. Echtparen gingen uit elkaar wanneer één van beiden openlijk bleef vasthouden aan de morele principes van Waarachtigheid, Mededogen en Verdraagzaamheid, en kinderen van wie de ouders werden gearresteerd, bleven vaak alleen achter.
​
Voor wie de vervolging meemaakte, leek het alsof de Culturele Revolutie terug helemaal opnieuw was begonnen. Mensen werden opnieuw gedwongen te kiezen tussen enerzijds traditionele normen en waarden, en anderzijds het rode boekje van Mao. Wie voor het eerste koos, kreeg te maken met een brutale repressie. Opkomen voor de basisprincipes van Waarachtigheid, Mededogen en Verdraagzaamheid werd plots een strafbaar feit in China.
​
Maar partijleider Jiang Zemin ging nog een stap verder. Binnen de Chinese Communistische Partij werd een speciaal departement opgericht: het zogenoemde ‘610-bureau’. Deze instantie hield zich exclusief bezig met de vervolging van Falun Gong-beoefenaars en functioneerde als een Gestapo-achtige eenheid, die volledig boven de wet stond. Het gevolg was dat in heel China grootschalige arrestatiecampagnes werden gevoerd, en al snel werd duidelijk dat het merendeel van de gevangenen in de Chinese gevangenissen en werkkampen Falun Gong-beoefenaars waren.




Beoefenaars uit heel China reisden naar Peking in de hoop op het Tiananmenplein hun boodschap aan de overheid over te brengen. Ze demonstreerden de oefeningen of hielden spandoeken omhoog met de karakters voor Waarachtigheid, Mededogen en Verdraagzaamheid. Het was de enige manier die ze hadden om hun stem te laten horen, maar tevergeefs: allen ondergingen hetzelfde lot: onmiddellijke arrestatie en opsluiting.

Het 610-bureau ontleent zijn naam aan de datum waarop het in 't grootste geheim werd opgericht: de zesde van de tiende maand van 1999, ongeveer een maand voordat de vervolging in China officieel begon.

Tussen de regels...
De overtuigingskracht van marteling
De CCP legde quota op aan lokale politiekantoren, gevangenissen en werkkampen voor het aantal ‘hervormingen’ van Falun Gong-beoefenaars. De politiekantoren werden ondertussen overspoeld met gearresteerde beoefenaars, mensen wiens enige zogezegde ‘misdrijf’ was dat ze mediteerden volgens waarachtigheid, mededogen en verdraagzaamheid.

Li Yuan, Imprisoned Dafa Practitioner – 囹圄ä¸çš„大法徒, olie op doek, 2009. Dit werk verbeeldt de onbuigzame geest van Falun Dafa-beoefenaars onder de brute vervolging door het Chinese communistische regime. Het maakt deel uit van de collectie The Art of Zhen Shan Ren, die wereldwijd is tentoongesteld.
Aanvankelijk wisten veel agenten niet goed hoe ze hiermee om moesten gaan. Er ontstond een simplistisch idee om een document op te stellen dat door de beoefenaars ondertekend moest worden. Met dit document beloofde de beoefenaar simpelweg “niet langer Falun Gong te beoefenen”. Wie tekende, mocht vertrekken. Wie niet tekende, werd verder onder druk gezet.
​
Veel beoefenaars stelden echter een terechte vraag: als zij niet langer mochten leven volgens de waarden van waarachtigheid, mededogen en verdraagzaamheid, volgens welke principes moesten ze dan wél leven? De agenten hadden er geen antwoord op, en vele beoefenaars weigerden te tekenen. Maar om toch de opgelegde quota te halen, schakelden de autoriteiten stelselmatig over op steeds drastischer methoden.
​
In een rapport uit 2005 verklaarde VN-Speciaal Rapporteur voor Marteling, Manfred Nowak dat Falun Gong-beoefenaars die hun overtuigingen na zes maanden detentie nog steeds niet hadden opgegeven, werden overgeplaatst naar de afdeling ‘Intensieve Training’ totdat ze ‘gereformeerd’ waren. Falun Gong-beoefenaars die eerder in deze inrichting waren vastgehouden, noemden deze afdeling de ‘Afdeling Intensieve Marteling’.
​
In zijn rapport van maart 2006 aan de VN verklaarde diezelfde Manfred Nowak dat “66 procent van de slachtoffers van marteling in Chinese gevangenissen, Falun Gong-beoefenaars zijn.” Met andere woorden: volkomen onschuldige mensen die enkel volgens de traditionele waarden van Waarachtigheid, Mededogen en Verdraagzaamheid willen leven, worden door de Chinese autoriteiten op grote schaal en op onmenselijke wijze gefolterd in gevangenissen en werkkampen. VN-organisaties en NGO’s verwijzen regelmatig naar deze cijfers om aan te tonen hoe onevenredig Falun Gong-beoefenaars in Chinese gevangenissen worden vervolgd.

De verhalen en getuigenissen over mishandeling en foltering in Chinese gevangenissen en werkkampen zijn ronduit gruwelijk en hartverscheurend. Wie koos voor het traditionele, kreeg te maken met meedogenloze repressie en velen hebben het met hun leven moeten bekopen.
Maar voor Jiang Zemin verliep de vervolging nog steeds niet zoals gewenst. Hij had van meet af aan aangekondigd dat hij Falun Gong in ‘drie maanden tijd’ volledig wilde uitroeien. Hij slaagde er echter niet in om dit te verwezenlijken en na verloop van tijd begon de bevolking apathisch te reageren op de campagne, die het hele land in rep en roer had gezet en die volledig was opgezet in de stijl van de Culturele Revolutie. Tegen het einde van 2000 leek het er zelfs op dat de vervolging van Falun Gong voor het regime op helemaal niets was uitgedraaid.
Maar daar zou snel terug verandering in komen, na een huiveringwekkend incident in Peking op oudejaarsavond van het Chinese nieuwjaar in 2001...

9.5 Het zelfverbrandingsincident in Peking
In de vooravond van 23 januari 2001, terwijl iedereen zich klaarmaakte om het Chinese nieuwjaar te vieren, meldde de staatsmedia dat vijf personen zichzelf in brand hadden gestoken op het Tiananmenplein in Peking. Op de Chinese staatstelevisie wordt onmiddellijk gesuggereerd dat het om Falun Gong-beoefenaars zou gaan. De hele gebeurtenis werd vanuit verschillende hoeken gefilmd en de reportages toonden gruwelijke beelden van de slachtoffers. Het jongste slachtoffer was Liu Xiying, een 12-jarig meisje. Zij werd overgebracht naar het ziekenhuis, waar ze enkele dagen later overleed.
​
In de weken na het incident bleef de Chinese staatsmedia herhalen dat Falun Gong rechtstreeks verantwoordelijk was voor dit drama. Maar het verhaal bleek vol hiaten te zitten. Een onderzoeksjournalist van de Washington Post onderzocht vooral het profiel van Liu Chunling, de moeder van het 12-jarige meisje. Ook zij had zichzelf op het plein in brand gestoken. Haar buren vertelden echter aan een verslaggever dat zij haar alleen maar hadden gekend als danseres in een nachtclub, en nooit als een Falun Gong-beoefenaar. Bovendien liet een analyse van de beelden (onderaan) zien dat Liu, vlak nadat de vlammen waren gedoofd, door een politieagent met een zwaar voorwerp hard op het hoofd werd geslagen. Ze overleed ter plekke. Een ander slachtoffer, Wang Jindong, werd getoond op de videobeelden in een zittende meditatiehouding (foto rechts onderaan) die helemaal niet overeenkomt met de Falun Gong mediatieoefening. Op de videobeelden was bovendien te zien hoe iemand met een camera en cameratas alles van dichtbij vastlegde (foto rechts midden), terwijl agenten zware brandblusapparaten bij zich droegen, terwijl er op het Tiananmenplein nergens dergelijke blusapparaten aanwezig waren.
Volgens de staatsmedia waren de beelden afkomstig van CNN, maar CNN ontkende dit later met klem. Eén van hun cameraploegen was die dag inderdaad naar het Tiananmenplein gegaan voor een videoreportage, maar vlak vóór het incident werd de ploeg zonder enige uitleg opgepakt en al hun materiaal werd in beslag genomen. Volgens CNN was er op het moment van het incident geen enkele CNN-verslaggever aanwezig op het plein.




Quote...


Het regime wijst op een vermeend zelfverbrandingsincident op het Tiananmenplein op 23 januari 2001 als rechtvaardiging voor de vervolging van Falun Gong. Echter, wij hebben een video van dat incident verkregen die naar onze mening bewijst dat deze gebeurtenis in scène is gezet door de Chinese overheid.
Officiële verklaring bij de Verenigde Naties door het IED Office, VS
Het werd steeds duidelijker dat het hele incident een zorgvuldig in scène gezette operatie was. Het Chinese volk had echter geen toegang tot deze informatie, terwijl de staatsmedia de beelden in de daaropvolgende weken onophoudelijk herhaalde en Falun Gong onvermoeibaar bleef aanvallen en veroordelen. Hierdoor sloeg het respect en de sympathie voor Falun Gong om in woede en haat — van de ene op de andere dag keerde het Chinese volk zich massaal tegen Falun Gong en alles leek te kantelen in het voordeel van Jiang Zemin, die nietsontziend vastbesloten was Falun Gong volledig uit te roeien. De weg was vrijgemaakt voor een meedogenloze escalatie van de vervolging door de CCP, met nog meer arrestaties en wrede folterpraktijken om haar doel te bereiken.


50 Minuten Waarheid
Eén van de meest heldhaftige — maar ook tragische — episodes in de geschiedenis van de vervolging van Falun Gong in China is die van een kleine groep beoefenaars die in 2002 het signaal van de kabeltelevisie in de stad Changchun, in de provincie Jilin, wist te onderscheppen.
​


Screenshot uit de documentaire/film Eternal Spring (2002), waarin Falun Gong-beoefenaars de kabeltelevisie in Changchun onderscheppen.
​
Ze deden dit met erg geavanceerde zelfgemaakte technische middelen en een duidelijke missie: het Chinese volk de waarheid tonen over Falun Gong, en de leugens van de staatspropaganda blootleggen. Ze slaagden erin om met een DVD-speler een documentaire over Falun Gong uit te zenden via de onderschepte signaalkabels. De uitzending duurde zo’n 40 tot 50 minuten en bereikte tienduizenden huishoudens.
De CCP was totaal verrast. De lokale autoriteiten raakten in paniek en bevalen onmiddellijke actie. Binnen enkele dagen werden duizenden 'verdachten' gearresteerd in en rond Changchun, ook al waren er slechts een vijftiental direct betrokken bij de actie. Volgens sommige bronnen liet Jiang Zemin persoonlijk weten dat hij “de verantwoordelijken ter dood wilde brengen”. Alle betrokkenen werden uiteindelijk geïdentificeerd en opgepakt. Wat daarop volgde was barbaarse marteling, vaak tot de dood.
Van één persoon is bekend dat zijn lichaam — na dagenlange foltering — zonder enige autopsie en tegen de wil van de familie rechtstreeks werd gecremeerd. Slechts één van de oorspronkelijke groep heeft de martelingen, strafkampen en detentie overleefd. Hij zou gevlucht zijn naar Seoul — al wordt zijn juiste woonplaats geheimgehouden om veiligheidsredenen.
Het verhaal van de Falun Gong-beoefenaars uit Changchun die het kabeltelevisienetwerk onderschepten, werd ook verfilmd in de bekroonde Canadese documentaire Eternal Spring (2022), geregisseerd door Jason Loftus.
​
9.6 De Chinese propagandamachine draait op volle toeren
Ook de Chinese propagandamachine werd vanaf het begin van de vervolging op volle toeren in werking gezet. Dit leidde onder andere tot een grootschalige mediacampagne via radio, televisie en kranten. Alleen al in de eerste zes maanden na de start van de vervolging verschenen er in China meer dan 300.000 nieuwsartikelen waarin Falun Gong werd belasterd. Busjes met luidsprekers reden door de straten en over universiteitscampussen om de bevolking erop te wijzen dat het beoefenen van Falun Gong voortaan onwettig was — en dat protesteren tegen het verbod evenmin werd getolereerd.
De vervolging had echter ook een averechts effect. Veel beoefenaars die erin slaagden weg te vluchten uit China, vonden hun toevlucht in landen verspreid over de hele wereld, waardoor Falun Gong zich internationaal heeft kunnen verspreiden. Vandaag wordt de praktijk in meer dan 80 landen vrij beoefend.
Maar het Chinese ‘Ministerie van Propaganda’ voerde ook ver buiten de landsgrenzen een intensieve campagne om de reputatie van Falun Gong te ondermijnen. Op 25 oktober 1999, tijdens een staatsbezoek aan Frankrijk, gaf Jiang Zemin een interview aan de Franse krant Le Figaro. Daarin bestempelde hij Falun Gong publiekelijk als een “kwaadaardige sekte”. De Chinese staatsmedia nam dit label onmiddellijk over, wat het imago en het vreedzame karakter van Falun Gong wereldwijd blijvend heeft geschaad.

De slogan op deze propagandaposter luidt: “Steun de beslissing van het Centraal Comité om Falun Gong als illegale organisatie aan te pakken.”
‘Het Ministerie van Propaganda’
In het vrije Westen heeft het woord “propaganda” doorgaans een sterke negatieve connotatie, vaak geassocieerd met misleiding of manipulatie.
​
In China daarentegen is het de naam van een officiële overheidsdienst — het “Ministerie van Propaganda” (officieel: het Centraal Propaganda Departement van de Communistische Partij van China). Deze dienst speelt een cruciale rol in het controleren en sturen van informatie, het vormen van de publieke opinie en het versterken van de ideologie van de communistische partij. Ook in de Sovjetunie bestond een vergelijkbaar ‘ministerie’.
Omdat de term ‘propaganda’ te veel afstraalde op het imago van de partij, werd het departement in 2004 ‘omgedoopt’ tot de “Afdeling Publiciteit”.

Het Propagandadepartement in Peking: een interne afdeling van het Centraal Comité van de Chinese Communistische Partij (CCP), verantwoordelijk voor het verspreiden van haar ideologie, het reguleren van de media en het creëren en verspreiden van propaganda.
Falun Gong en "the absolute deluge of propaganda"
Edward McMillan-Scott was van 2004 tot 2014 vice-president van het Europees Parlement. In 2006 reisde hij naar China, waar hij geheime ontmoetingen had met Falun Gong-beoefenaars die wegens hun overtuiging gevangen hadden gezeten, onder wie Cao Dong en Niu Jinping. Zij vertelden hem over zware martelingen, gedwongen arbeid en gevangenschap louter vanwege hun geloof. Cao Dong verklaarde bovendien dat het lichaam van een vriend, eveneens een Falun Gong-beoefenaar, was teruggevonden met “gaten waar organen ontbraken”. Hij ontmoette ook de Chinese mensenrechtenadvocaat Gao Zhisheng. Wat hem bijzonder hard trof, was dat alle dissidenten en voormalige gewetensgevangenen die hij in China had ontmoet, onmiddellijk na zijn vertrek werden gearresteerd en opgesloten.

Na zijn terugkeer schreef McMillan-Scott open brieven aan de Chinese ambassade om de vervolging onder de aandacht te brengen. Daarin drong hij aan op de onmiddellijke vrijlating van Falun Gong-gevangenen en op een openbaar onderzoek naar de beschuldigingen. Hij riep regeringen, wereldleiders en internationale media op diplomatieke druk uit te oefenen en pleitte voor een internationaal onderzoek naar de verdenkingen van ‘genocide’ tegen Falun Gong.
​​
McMillan-Scott beschouwde de vervolging van Falun Gong niet als een “gewone” inperking van godsdienstvrijheid, maar als een systematische en uiterst wrede campagne van gevangenschap en marteling, gericht op de fysieke uitroeiing van de groep. Hij sprak in dit verband expliciet van “genocide”. Als vice-voorzitter van het Europees Parlement gaf hij de vervolging van Falun Gong zichtbaarheid op het hoogste politieke niveau in Europa. Zijn verklaringen droegen bij aan een bredere bewustwording onder Europese politici, media en ngo’s over de misstanden in China en de propagandacampagne van de CCP tegen Falun Gong. Zijn inspanningen tonen bovendien aan hoe ernstig de religieuze en spirituele repressie in China is, en dat internationale druk noodzakelijk is om de verantwoordelijken ter verantwoording te roepen.
De propaganda tegen Falun Gong ging in de loop der jaren vooral online een eigen leven leiden en door de hardnekkige en vaak vernietigende vooroordelen vonden slachtoffers van deze brutale vervolging nauwelijks nog een luisterend oor.
Beoefenaars van Falun Gong organiseren wereldwijd rallies, parades, straatactiviteiten maar ook sit-ins bij Chinese ambassades. Ze proberen op die manier niet aleen het vreedzame karakter van Falun Gong en de wreedheid van de vervolging aan de rest van de wereld te tonen maar ook hoe zeer onze wereld vandaag, meer dan ooit, nood heeft aan Zhen-Shan-Ren, Waarheid, Mededogen en Verdraagzaamheid.
Maar ondanks de jarenlange inspanningen van beoefenaars overal ter wereld om de waarheid over de vervolging te verduidelijken, bleef de internationale gemeenschap grotendeels aan de zijlijn toekijken, terwijl de vervolging in China tot op de dag van vandaag nog steeds niet is beëindigd.
​
Al meer dan een kwarteeuw laat de vervolging van Falun Gong diepe onuitwisbare sporen na in de Chinese samenleving.




