Hoofdstuk 7 : Een bredere kijk op ‘het spook van het communisme’
Inleiding
In dit hoofdstuk gaan we dieper in op de vraag wat communisme nu eigenlijk is, een vraag waarop veel mensen in het Westen eigenlijk nauwelijks een antwoord kunnen formuleren. Het is een ideologie die wereldwijd een enorme impact heeft gehad, ook hier bij ons in het Westen. Daarmee brengt het verhaal ons opvallend dicht bij onze eigen leefwereld. En hoewel het lijkt alsof we hiermee sterk afwijken van ons relaas over China en de Chinese cultuur, hopen we in dit hoofdstuk duidelijk te maken dat dit uiteindelijk toch niet zo is.
Integendeel zelfs...

7.1 Het Communistisch manifest
Tegenwoordig beschouwen veel Chinezen de Chinese Communistische Partij (CCP) als synoniem voor China zelf, maar dat is in feite een fundamentele misvatting. China kent een beschaving van maar liefst 5000 jaar, terwijl de Chinese Communistische Partij pas zo’n 75 jaar geleden aan de macht kwam.
Communisme heeft in feite helemaal niets te maken met China en komt ook helemaal niet uit China. Waar komt het dan wel vandaan? Strikt genomen komt het communisme van hier bij ons, en dat bedoelen we vrij letterlijk. Karl Marx schreef het Communistisch Manifest in het hart van Europa, namelijk … in Brussel!
Karl Marx werd in 1818 geboren in Trier. Zijn levensloop bracht hem van Duitsland naar Parijs. In 1844 ontmoette hij in Parijs Friedrich Engels, met wie hij een levenslange samenwerking begon die zou uitmonden in de gezamenlijke uitwerking van het communistische gedachtegoed.
Het jaar daarop, na zijn uitwijzing uit Frankrijk, trok Marx naar Brussel. Van 1845 tot 1848 woonde hij in Brussel, waar hij samen met Engels het Communistisch Manifest uitschreef.


Het Marx-Engels-Forum, een park in Berlijn. In 1986 lieten de autoriteiten van de voormalige Duitse Democratische Republiek (DDR) het park aanleggen.


Tussen de regels...
Café de Zwaan
Karl Marx en Friedrich Engels ontmoetten elkaar regelmatig op de Grote Markt in Brussel, meer bepaald in ‘Café de Zwaan’. Dit café, bestaat vandaag nog steeds. Je kan het herkennen aan de witte zwaan boven de deur. Het ligt vlak naast het beroemde stadhuis, net voorbij het steegje naar Manneken Pis.
Tijdens het tweede congres van de Communistische Liga in Londen (december 1847), kregen Marx en Engels officieel de opdracht het partijprogramma te schrijven. Na het congres keerde Marx terug naar Brussel, waar hij sinds 1845 in ballingschap verbleef. In Café de Zwaan filosofeerden Marx en Engels over hun ideeën die uiteindelijk zouden leiden tot het Communistisch Manifest.





Dit schilderij toont de zondagsmarkt op de Brusselse Grote Markt in 1887.

Café De Zwaan in Brussel was de plek waar de kiem werd gelegd voor het schrijven van het Communistisch Manifest. Deze café bestaat vandaag nog steeds en is te herkennen aan de witte zwaan boven de deur.

Het Communistisch Manifest werd door Marx en Engels in Brussel geschreven, maar voor het eerst gedrukt in februari 1848 in Londen. De eerste druk was in het Duits onder de titel Manifest der Kommunistischen Partei.

Dit schilderij toont de zondagsmarkt op de Brusselse Grote Markt in 1887.
Het Communistisch Manifest werd dus in Brussel geschreven. Het manuscript ging daarna terug naar Londen, waar het in februari 1848 voor het eerst werd gedrukt.
De eerste druk verscheen in het Duits, onder de titel ‘Manifest der Kommunistischen Partei.’


Tussen de regels...
Karl Marx – de ultieme atheïst?
Wat bezielde Karl Marx om het Communistisch Manifest te schrijven? Was hij de verpersoonlijking van de ultieme atheïst? Wanneer we zijn vroege publicaties bekijken, vooral die van vóór het Communistisch Manifest, stuiten we op enkele opmerkelijke en zelfs bizarre uitspraken over zijn innerlijke strijd met God en het geloof.
In zijn gedicht Oulanem (ca. 1837) schreef Marx het volgende:
“Ich möchte mich rächen an dem, der dort oben herrscht.”
Vrij vertaald:
“Ik wil wraak nemen op degene die van bovenaf heerst.”
In een ander gedicht vinden we de volgende passage:
“Dann bau’ ich mir einen Thron – hoch, kalt aus Eis –
Und drohend wird seine Spitze sich erheben.
Gigantisch wird er sein, und fürchterlich.
Auf seinem Gipfel wird sich erheben mein schwarzer, kalter Trotz.
Und die Götter zittern vor ihm,
Dann bin ich gleich dem Sieger-Gott,
Durch die Trümmer ihrer Himmel wandelnd,
Triumphierend durch die Ruinen schreitend.”
Vrij vertaald:
“Zo bouw ik mij een troon – hoog en koud als ijs –
en dreigend zal zijn spits zich verheffen.
Gigantisch zal hij zijn, en huiveringwekkend.
Op zijn top zal mijn zwarte, kille trots oprijzen.
En de goden zullen ervoor beven.
Dan zal ik triomfantelijk kunnen paraderen,
als een overwinnende god,
wandelend door de ruïnes van hun hemelen.”
De opvatting dat Marx een overtuigd atheïst was, wordt niet onvoorwaardelijk bevestigd door zijn vroege poëzie. Daarin lijkt hij eerder verwikkeld in een existentiële strijd met God — een conflict waarvan de oorsprong erg onduidelijk is.
Naast enkele dichtbundels is er ook een briefwisseling bewaard gebleven tussen Karl Marx en zijn vader Heinrich Marx. De briefwisseling dateert uit de periode toen Marx studeerde in Bonn en later in Belijn. Zijn vader maakte zich gaandeweg meer en meer zorgen over de toon en inhoud van de brieven van zijn zoon, en schreef hem herhaaldelijk dat hij hoopte dat Marx voor zichzelf een succesverhaal zou kunnen uitschrijven, maar hij uitte tegelijk ook zijn bezorgdheid over het “welzijn van zijn ziel”.
Karl Marx had zijn innerlijke strijd dan ook op indrukwekkende wijze omschreven in Oulanem, waar hij schreef:
“Verloren hab’ ich den Himmel, und weiß es wohl. Meine Seele, einst treu Gott, ist auserkoren zur Hölle.”
Vrij vertaald:
“Ik heb de hemel verloren, en dat weet ik maar al te goed. Mijn ziel, eens trouw aan God, is nu bestemd voor de hel.”
Wanneer we het communisme proberen te definiëren — als ideologie, filosofie, politiek model of economisch systeem — dan gaan we er uiteindelijk toch niet helemaal geraken. Er is nog iets anders… Het heeft als het ware nog een extra dimensie, haast iets demonisch. Het gedraagt zich zoals een entiteit, of zoals Marx het zelf omschreef in de eerste regel van het Communistisch manifest, een “een spook dat door Europa waart, het spook van het communisme”, dat zich om een of andere reden keert tegen de essentie van het mens-zijn zelf.
Het ‘spook van het communisme’ vertrok vanuit Brussel, bereikte Parijs, nestelde zich in Rusland, en vond uiteindelijk vaste grond in China. Het evolueerde van Marxisme, naar Leninisme en Stalinisme, tot uiteindelijk … het Maoïsme.

Chinese propagandaposter met van links naar rechts Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao, vergezeld van de slogan: ‘Het marxisme-leninisme is onoverwinnelijk, lang leve Mao Zedong!’

7.2 Wat is communisme?
7.2.1 Afschaffing van private eigendom
Wie het begrip communisme bestudeert, struikelt vaak over de meest ingewikkelde theorieën en een wirwar van moeilijke termen. Hier gaan we het simpel houden:
Communisme betekent eigenlijk dat je iets neemt van degene die meer heeft en het doorgeeft aan degene die minder heeft. Zo ontstaat een wereld waarin iedereen gelijk is en gelijk behandeld wordt. Deze absolute gelijkheid zal dan uiteindelijk leiden tot een utopisch aards paradijs, waar iedereen gelukkig is en zijn eerlijke deel van de koek krijgt.

Maar wat gebeurde er keer op keer in de praktijk? Telkens wanneer het communisme werd geïmplementeerd, resulteerde dat in een totalitair systeem met een dictatoriale leiding en onnoemelijk veel menselijk leed tot gevolg.
Overigens: iets wegnemen van wie meer heeft, veronderstelt de ‘afschaffing van privébezit’ – wat op zich kan worden beschouwd als een fundamentele pijler en zelfs een definitie van het communisme.
Marx schreef in het communistisch manifest: “De communisten kunnen hun theorie in één uitdrukking samenvatten: opheffing van de private eigendom.” Hij stelde dat de private eigendom van de productiemiddelen moest worden opgeheven — als kern van de communistische revolutie. Hij stelde dat dit een einde zou maken aan uitbuiting en armoede, doordat de productiemiddelen in handen zouden komen van het collectief (de staat of het volk).
Tussen 1917 en 1922 transformeerde Rusland van een eeuwenoude tsaristische monarchie in een communistische eenpartijstaat, geleid door Vladimir Lenin, via revolutie, staatsgreep, burgeroorlog, politieke terreur en economische crises, en eindigend op 30 december 1922 in de officiële oprichting van de Sovjet-Unie (USSR), de eerste communistische grootmacht ter wereld. Rusland was daarmee het eerste land waar een marxistische partij de macht kon grijpen. Lenin begon de visie van Marx onmiddellijk in praktijk te brengen, maar al snel sloeg de visie van Marx om in een werkelijkheid die net het tegenovergestelde was van het beloofde paradijs op aarde.
Omdat voedseloverschotten verplicht moesten worden ingeleverd (graanconfiscaties) en privébezit van landbouwgrond verboden werd, konden boeren niets meer verdienen aan hun werk. Alles wat ze produceerden, werd immers opgeëist door de staat. Het systeem vernietigde hierdoor elke economische en menselijke motivatie om voedsel te blijven verbouwen. Boeren begonnen zelfs zaaizaad achter te houden of plantten minder, omdat alles toch in beslag werd genomen. Het Marxistisch beleid, bedoeld om meer controle en productiviteit te bewerkstelligen, resulteerde uiteindelijk in exact het omgekeerde, namelijk een massale productie-uitval.
Daarbij kwam dat in 1921 de Wolgaregio en delen van de Oeral getroffen werden door een uitzonderlijk zware droogte. Dit leidde tot een catastrofale mislukking van de oogst in dat jaar. Er was echter geen bufferruimte meer over om het verlies van een mislukte oogst op te vangen. Het gevolg werd snel duidelijk: een verwoestende hongersnood trof minstens twintig miljoen mensen. Hulp van buitenaf kwam op gang vanuit de American Relief Administration (ARA) onder de Amerikaanse President Herbert Hoover (de ARA was oorspronkelijk opgezet in 1919 om na de Eerste Wereldoorlog hulp te bieden aan door oorlog getroffen landen in Europa, waaronder toen ook België). Na lang aarzelen liet Lenin in augustus 1921 de ARA toe om voedselhulp te verstrekken. Maar het Russische volk was ondertussen erg verzwakt geraakt en tussen 1921 en 1922 kwamen in Rusland naar schatting 5 tot 10 miljoen mensen om van de honger. Velen bezweken ook aan uitbraken van cholera en tyfus die fataal bleken vanwege een verzwakte weerstand.
De situatie werd zo wanhopig dat velen zelfs hun toevlucht namen tot kannibalisme. Volgens de historicus Orlando Figes werden er “duizenden gevallen” gemeld. Het werkelijke aantal lag vermoedelijk nog veel hoger. In Samara werden verschillende slagerijen gesloten toen bleek dat ze mensenvlees verkochten. In Pugachyov was het zelfs gevaarlijk voor kinderen om na zonsondergang naar buiten te gaan: er waren benden kannibalen en handelaren actief die de kinderen doodden om hun vlees te verkopen als paardevlees of rundvlees.
De boeren, die het communisme geacht werd te bevoordelen, stierven uiteindelijk door repressie en hongersnood. Terwijl de VS humanitaire hulp bood, beschouwde de bolsjewistische propaganda de westerse wereld officieel als vijandig. Maar zonder de ARA was de hongerdood waarschijnlijk nog massaler geweest.
Lenin zag in de honger tegelijkertijd ook een revolutionair breekijzer. Volgens Alexey Beryakov, een vroegere makker en medestrijder van Lenin, zei Lenin hierover het volgende: “Honger heeft veel positieve gevolgen. Door de achtergebleven, agrarische economie te vernietigen brengt de hongersnood objectief onze uiteindelijke doelstelling, ‘het socialisme’, dichterbij. Het vernietigt niet alleen het geloof in de Tsaar maar ook het geloof in God.” (Nota: Lenin gebruikte "socialisme" om te verwijzen naar de fase waarin de productiemiddelen onteigend zijn, maar waarin de staat nog bestaat. Socialisme was volgens Lenin de noodzakelijke overgangsfase naar het uiteindelijke doel: het klasseloze, staatloze communisme)

Vladimir Lenin

Ondervoede kinderen in een ziekenhuis.

Op straat aangetroffen dode lichamen van kinderen

Tijdens de hongersnood in de Sovjetunie dreef de wanhoop mensen zelfs tot kannibalisme

Tussen de regels...
“You’ll own nothing. And you’ll be happy.”
Het World Economic Forum (WEF) is een internationale non-profitorganisatie, vooral bekend vanwege zijn jaarlijkse bijeenkomst in Davos, waar wereldleiders, CEO’s, academici, activisten en andere invloedrijke figuren samenkomen om mondiale economische, politieke, ecologische en sociale vraagstukken te bespreken. Het WEF stelt zichzelf tot missie “de toestand van de wereld te verbeteren” (Committed to improving the state of the world).
In 2016 publiceerde het WEF een ophefmakende video op sociale media met de titel: “8 predictions for the world in 2030” (vrij vertaald: 8 voorspellingen voor de wereld in 2030). De video blikte vooruit op mogelijke trends die tegen 2030 werkelijkheid zouden kunnen worden. De allereerste voorspelling luidde: “You’ll own nothing. And you’ll be happy.” (vrij vertaald: Je zal niets bezitten, maar je zal gelukkig zijn.)
Deze slogan zorgde wereldwijd voor heel wat controverse, en werd door velen gezien als het symbool van een toekomstvisie waarin privébezit wordt ingeruild voor collectief of gedeeld bezit. Wat ook opviel, is dat de video kort na alle commotie vrijwel even plots verdween van het internet als dat hij opgedoken was — wat de speculaties over de ware ambities van het WEF alleen maar verder aanwakkerde.
Het WEF verklaarde achteraf dat de slogan enkel werd geadopteerd als een “speculatief toekomstbeeld” — maar niet als officieel beleidsdoel.


In de documentaire The Forum (2019) is Klaus Schwab, de oprichter van het World Economic Forum (WEF), te zien in zijn kantoor met een Lenin-buste prominent in beeld op de achtergrond. Ook dit heeft geleid tot diverse interpretaties en discussies over de symboliek en betekenis ervan.
7.2.2 “Strijd met de hemel, strijd met de aarde en strijd met de mens”
Er zijn ook nog andere manieren om de ideologie van het communisme uit te leggen. Laten we bijvoorbeeld vertrekken vanuit het spirituele fundament van de authentieke Chinese cultuur. Vanuit dat perspectief kunnen we immers komen tot een diepere, meer fundamentele definitie van wat het communisme in wezen betekent.
Neem het taoïsme, een van de drie grote leerscholen binnen de Chinese cultuur, onderwezen door Lao Zi in het oude China. De Tai Chi Tu (太極圖) – het bekende Yin-en-Yang-symbool – staat, zoals eerder vermeld, symbool voor de Tao (zie hfdt. 2). Het vertegenwoordigt de voortdurende zoektocht naar eenheid en harmonie tussen tegengestelde uitersten. Vanuit de taoïstische denkwijze wordt geleerd dat het samenbrengen en harmoniseren van de uitersten uiteindelijk zal leiden tot het bereiken van balans en evenwicht. Enkele voorbeelden van dergelijke tegengestelde uitersten zijn: licht en donker, goed en kwaad, warm en koud, man en vrouw.

De Tao (weg) is altijd in het midden,
zonder te forceren.
Lao Zi
Sommigen zullen grapjes maken: “Harmonie tussen man en vrouw? Zeker, maar soms loopt het ook wel eens anders, nietwaar?” En dat klopt natuurlijk.
De taoïstische denkwijze pretendeert ook helemaal niet dat eenheid en harmonie ‘gegarandeerd’ zijn. Het gaat immers om een ‘zoektocht’ naar evenwicht – een proces, geen eindpunt. En precies de ‘onvolmaaktheid’ is wat het communisme opvalt, waar het zich op fixeert, en waar het vervolgens op ingrijpt.
Vanuit het communistische denken gebeurt namelijk precies het tegenovergestelde. In plaats van te zoeken naar eenheid en het samenbrengen van Yin en Yang, richt het communisme zich op het versterken van de tegenstellingen – of met andere woorden: het uit elkaar trekken van Yin en Yang. De uitersten worden niet langer in evenwicht gebracht, maar juist tegenover elkaar geplaatst: man tegenover vrouw, arm tegenover rijk, zwart tegenover blank, arbeider tegenover bourgeois.
Eens de uitersten van elkaar zijn losgemaakt, worden ze onderworpen aan een grondige analyse en systematische kritiek. Hierbij wordt telkens opnieuw de tegenstelling gecreëerd tussen een zogenaamde 'sterkere' en 'zwakkere' partij. Anders gezegd: de ene wordt bestempeld als ‘de onderdrukker’, de andere als ‘de onderdrukte’.


Wat dan ontstaat, is geen eenheid of balans tussen Yin en Yang, maar een spanningsveld tussen de uitersten – een ideologische breuklijn die doelbewust is aangebracht. En precies daaruit vloeit een essentieel kenmerk van het communisme voort: ‘de strijd’. Het is deze confrontatie tussen tegenpolen die, volgens de communistische logica, ‘ontwikkeling en verandering' zal aandrijven.
Dit is wat men noemt het ‘dialectisch materialisme’ en het stelt dat vooruitgang enkel kan voortkomen uit de ‘voortdurende strijd tussen tegenstellingen’ – tussen groepen die eerst bewust van elkaar zijn gesepareerd, waarna ze onafhankelijk van elkaar worden geanalyseerd, bekritiseerd en vervolgens met elkaar worden geconfronteerd zodat ze tot strijd worden aangezet.
Mao Zedong trok dit principe tot het uiterste door en hij vatte zijn ideologie als volgt samen: “Voortdurende strijd met de hemel, strijd met de aarde, strijd met de mens – daarin ligt het hoogste geluk!”

Ga mee met de stroom van de Tao,
en je zult geen strijd kennen.
Lao Zi
7.2.3 Strijd met de hemel
Tijdens de Culturele Revolutie in China (1966–1976) moest alles wat met spiritualiteit of geloof te maken had volgens Mao verdwijnen. Het werd allemaal gezien als een overblijfsel van het ‘oude denken’ dat in de kiem moest worden gesmoord. Rode Gardisten, veelal scholieren en studenten, trokken het land door om tempels, kloosters, kerken en heiligdommen te vernielen. Oude geschriften werden verbrand, standbeelden kapotgeslagen en monniken en priesters publiekelijk vernederd.
Alleen al in Tibet werden naar schatting 6.000 kloosters en tempels volledig verwoest. Slechts een handvol religieuze gebouwen bleef overeind, vaak omdat ze een nuttige functie kregen als opslagplaats, kazerne of museum. De beroemde Jokhang-tempel in Lhasa bijvoorbeeld, een van de heiligste plaatsen van het Tibetaans boeddhisme, werd geplunderd en gebruikt als varkensstal en slachthuis. Monniken en nonnen werden gedwongen hun kloosterleven op te geven en in arbeidersbrigades te werken, terwijl velen gevangen werden gezet of omkwamen tijdens repressie.
In Peking drongen de Rode Gardisten zelfs de tombes van de Ming-keizers binnen, waaronder die van de keizer Wanli (1563–1620). Ze vernielden kostbare grafgiften en rituele objecten die eeuwenlang bewaard waren gebleven. De stoffelijke resten van keizer Wanli en zijn keizerinnen werden opgegraven, openlijk bespot, en verbrand als een politieke daad van vernedering. Volgens het boek Mao’s Last Revolution waren tegen het einde van de Culturele Revolutie 4.922 van de 6.843 in Peking officieel als 'historisch waardevol' aangewezen plaatsen vernietigd. De Verboden Stad wist ternauwernood aan de chaos te ontsnappen.
Van eeuwenoude boeddhabeelden tot rituelen en gebruiken – alles wat herinnerde aan het verleden moest wijken voor Mao’s revolutionaire ideologie. Waar ooit gebedsvlaggen in de wind wapperden, weerklonken nu strijdkreten en propagandaliederen. Zo voltrok zich een periode waarin een eeuwenoude beschaving vrijwel volledig werd uitgewist, in naam van ‘vooruitgang’ en ideologische zuiverheid.
Een ander schrijnend voorbeeld – uit het China van vandaag – is de vervolging van Falun Gong, een spirituele praktijk gebaseerd op de principes Waarachtigheid, Mededogen en Verdraagzaamheid. Als een typische Qigong-beoefeningswijze werd Falun Gong in de jaren ’90 razendsnel populair in heel China, waarna de Chinese Communistische Partij (CCP) op meedogenloze wijze ingreep. Falun Gong wordt al meer dan 25 jaar op gruwelijke wijze vervolgd in China. Hier komen we later nog uitgebreid op terug (zie hfst 9).

In 1966 vernielden een tweehonderdtal Rode Gardisten de meer dan 2000 jaar oude Confuciustempel in Qufu (provincie Shandong, China).

Op het terrein van de Confuciustempel werden talloze religieuze monumenten, artefacten en zelfs graven vernietigd. Tegenwoordig staat de Confuciustempel op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.

Falun Gong-beoefenaars houden op het Tiananmenplein in Peking banners omhoog met daarop drie karakters: Zhen, Shan en Ren, wat staat voor Waarachtigheid, Mededogen en Verdraagzaamheid. De foto werd genomen enkele ogenblikken voordat zij werden gearresteerd.
7.2.4 Strijd met de mens
De mens werd niet langer gezien als een eenheid van lichaam en ziel, maar gereduceerd tot louter materie, zonder geest. Het individu werd hierdoor in wezen ‘verwaarloosbaar’. De menselijke persoon kreeg geen inherente waarde meer toegeschreven, en het leven zelf werd onderdeel van een wegwerpmaatschappij. Binnen totalitaire systemen leidt dat onvermijdelijk tot de meest gruwelijke vormen van mensenrechtenschendingen.
Neem als voorbeeld de 'Holodomor', de hongersnood in de Sovjetunie van begin jaren '30 onder Stalin. Door de hongersnood zwierven in Oekraïne naar schatting een miljoen weeskinderen rond op straat, bedelend om te overleven. Om deze ‘schande’ te verbergen gaf Stalin bevel aan de politie om de kinderen gewoonweg neer te schieten.




De hongersnood in de Sovjetunie van 1932–1933, vaak de 'Holodomor' genoemd, wat letterlijk 'moord door honger' betekent, eiste in Oekraïne naar schatting 5 tot 8 miljoen levens.

Illustratie uit 1948: Stalin kijkt uit over een collectieve boerderij en stapels geconfisqueerd graan op de lichamen van uitgehongerde Oekraïners.

Een activist die in opdracht van het regime de graanschuren bewaakt met een geweer (tijdens de graanvorderingen van 1929–1932).

Bord in het Russisch met de tekst: ‘Het is ten strengste verboden om hier lichamen te begraven.’

Foto van een Oekraïens gezin uit april 1933, met het bijschrift ‘300 dagen zonder een stukje brood’. De fotograaf stierf later zelf in de goelag, waarheen hij was gestuurd als straf voor het documenteren van de hongersnood.
Ook vandaag zien we nog steeds zulke excessen. In China vormen gevangengenomen Falun Gong-beoefenaars zowat de grootste groep gewetensgevangenen in gevangenissen en werkkampen. Meerdere onafhankelijke onderzoeken hebben aangetoond dat de CCP, sinds begin 2000, deze enorme groep is gaan gebruiken als een levende databank voor donororganen. De cijfers wijzen op een miljardenindustrie die op die manier is ontstaan in Chinese ziekenhuizen en transplantatiecentra, waarbij – voor alle duidelijkheid – elke transplantatie-operatie voor de ‘donor’ tevens de executie betekent.
Ook hier komen we later nog uitgebreid op terug (zie hfst 10).

Chinese chirurgen dragen koelboxen met transplantatieorganen
7.2.5 Strijd met de aarde
Ten derde had Mao het over de strijd met de aarde: een hallucinant voorbeeld is ‘de mussencampagne’ tijdens ‘De Grote Sprong Voorwaarts’, de eerste grote campagne van Mao eind jaren ’50.
Mao Zedong had vastgesteld dat de mussen elk jaar het zaad van de velden pikten. Hij had persoonlijk berekend dat elke mus ongeveer 8 kg zaad per jaar van het veld pikte. Hoe hij aan die berekening kwam, weet eigenlijk niemand, maar het leidde in ieder geval tot Mao’s bevel om de strijd aan te gaan met ‘de natuur’ – in dit geval de strijd met ‘de mus’.
De hele Chinese bevolking werd gemobiliseerd, wat leidde tot hallucinante taferelen door het hele land. In scholen en bedrijven werden wedstrijden georganiseerd om zoveel mogelijk mussen te verdelgen. Iedereen deed mee. Tijdens gecoördineerde acties trokken mensen door de straten van hun dorp of stad, terwijl ze op potten en pannen sloegen. Sommigen klommen in bomen om de mussen voortdurend op te jagen. De mussen raakten zodanig gedesoriënteerd en uitgeput dat sommige simpelweg bleven neerzitten, wachtend op hun lot. Binnen enkele maanden werden op die manier in China meer dan 2 miljoen mussen gedood, en de mussenpopulatie werd vrijwel uitgeroeid. Mao noemde de campagne een groot succes.
Het jaar daarop werd echter duidelijk wat het effect was: een enorme plaag van sprinkhanen en rupsen, die geen natuurlijke vijanden meer hadden, begonnen de velden kaal te vreten. De natuur werkt volgens een delicate balans, en deze ‘strijd met de natuur’ zorgde niet voor harmonie, maar voor disharmonie.
Om de situatie nog te verergeren besloot Mao een industriële revolutie af te dwingen in China. Hij was ervan overtuigd dat China in slechts 15 jaar het Verenigd Koninkrijk zou kunnen inhalen en zelfs overtreffen in staalproductie.
Het ‘private eigendom’ werd afgeschaft en alles, inclusief werktuigen en zaden, werd eigendom van de gemeenschap. Grote communes werden opgezet om de boeren te organiseren.
Net als in militaire eenheden verbleven mannen en vrouwen gescheiden in de communes, terwijl de opvoeding van de kinderen de verantwoordelijkheid van de staat werd. De kinderen werden zo ‘kinderen van de commune’. Het traditionele gezin, een van de pijlers van een vrije samenleving, werd hierdoor volledig ontwricht. Het maakte allemaal deel uit van Mao’s plan om een nieuw China te creëren.
De boeren kregen de opdracht staal te raffineren in zogenaamde achtertuinoventjes. Al het ijzer dat de boeren konden vinden, werd gesmolten, zelfs potten en pannen moesten eraan geloven. Uiteindelijk bleek echter dat meer dan 70% van dit gesmolten ijzer van een zodanig slechte kwaliteit was dat het totaal onbruikbaar was en niet tot staal verwerkt kon worden.
Maar door hun betrokkenheid bij de staalproductie verwaarloosden de boeren hun velden des te meer, en al snel ontstonden de eerste tekenen van een gigantische hongersnood. Deze hongersnood werd uiteindelijk de grootste in de menselijke geschiedenis. Schattingen lopen uiteen van 30 tot 45 miljoen dodelijke slachtoffers door honger.
De Grote Sprong Voorwaarts wordt algemeen beschouwd als de grootste ramp veroorzaakt door menselijk wanbeleid in de moderne tijd. Het werd een regelrechte catastrofe voor het Chinese volk.

Propagandaposter met het opschrift: ‘Elimineer de vier ongedierten’, doelend op muggen, vliegen, ratten, en ... mussen




De mussencampagne van Mao: op scholen en bedrijven werden wedstrijden gehouden om zoveel mogelijk mussen te vangen, terwijl volledige dorpen werden gemobiliseerd om de vogels uit te roeien.

Achtertuinoventjes tijdens de Grote Sprong Voorwaarts – symbool van Mao’s visie, maar ook van een desastreuze mislukking eindigend in bergen waardeloos schroot.




De hongersnood in China tijdens de Grote Sprong Voorwaarts (1958–1962) geldt als de dodelijkste hongersnood in de moderne geschiedenis; schattingen van het aantal doden variëren, maar veel onderzoekers noemen circa 30 miljoen (soms worden nog hogere cijfers genoemd tot zelfs 45 miljoen).
Tussen de regels...
China achter slot en grendel:
Enkele jaren na de Grote Sprong Voorwaarts begonnen ook hier, aan de universiteit van Leuven bijvoorbeeld, tal van studenten met het Rode Boekje van Mao te zwaaien. Ze vonden het intrigerend en verdiepten zich ijverig in de korte citaten van Mao Zedong, zonder te beseffen welke tragedie zich kort daarvoor in China had voltrokken, waarbij miljoenen mensen van de honger waren gestorven, eenvoudigweg omdat men er helemaal niets van afwist.
Vanaf de Grote Sprong Voorwaarts ging China geleidelijk aan hermetisch op slot en het land werd door Mao volledig van de buitenwereld afgesloten. Er ontstond een bizarre situatie waarbij Hongkong, toen nog een Britse kroonkolonie, fungeerde als een soort observatiepost voor China-watchers: journalisten, inlichtingenofficieren en diplomaten zaten er bijeen en probeerden, zo dicht mogelijk tegen de grens met China, met kortegolfradio’s letterlijk flarden van nieuws op te vangen en indirecte informatie te verzamelen, om toch enig begrip te krijgen van wat er werkelijk gaande was.
Tijdens de Grote Sprong Voorwaarts (1958–1962), maar vooral ook tijdens de Culturele Revolutie (1966–1976), probeerden journalisten op die manier het hongerdrama en de politieke zuiveringen in kaart te brengen — meestal op basis van brokstukken informatie. Betrouwbare cijfers over de hongersnood (tientallen miljoenen doden) kwamen echter pas jaren later naar buiten.
Terwijl miljoenen mensen in China van de honger stierven, bleef Mao graan exporteren naar de Sovjet-Unie en andere bondgenoten, deels om schulden af te lossen, deels om Mao’s imago van een bloeiend communistisch succesverhaal te versterken. Mao gebruikte de export van graan als propagandamiddel en het toonde zogenaamd de overvloed van het communistische systeem.
Heel wat studenten in Leuven juichten hem toe, niet wetend dat achter de propaganda een ongekende menselijke catastrofe schuilging. In 1960 exporteerde China naar schatting 2 tot 4 miljoen ton graan, terwijl de hongerdoden zich opstapelden.

Het Rode Boekje werd vertaald en verspreid in vele talen, ook in het Nederlands en Frans (vanaf 1967), en circuleerde onder studenten, militanten en intellectuelen in Brussel, Leuven, Gent en Luik.
De maoïstische stroming binnen de Leuvense studentenbeweging werd onder meer vertegenwoordigd door groepen als AMADA (Alle Macht Aan De Arbeiders), die later de Partij van de Arbeid (PVDA/PTB) zou worden. Ook Trotskistische groepen waren actief in Leuven, vooral in kringen rond kritische marxistische analyses en studentendebatten. Uit deze stromingen ontstond onder meer de SAP (Socialistische Arbeiderspartij), de Belgische Trotskistische partij die aangesloten was bij de Vierde Internationale (de internationale stroming van Trotski-aanhangers na zijn breuk met Stalin).
De SAP was nooit een massapartij en behaalde nauwelijks stemmen bij verkiezingen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de PVDA/PTB, slaagde de SAP er niet in om brede arbeiderssteun te mobiliseren. Het waren vooral jonge intellectuelen, studenten en academici die werden aangetrokken tot de kritische analyses van de SAP.
Het Rode Boekje van Mao:
De eerste officiële editie va het Rode Boekje van Mao verscheen in China in 1964. De citaten zelf zijn uiteraard van Mao Zedong, maar de samenstelling en vorm van het boekje was grotendeels het werk van Lin Biao, destijds minister van Defensie.
Het Rode Boekje was bedoeld als een klein handboek voor soldaten, zodat ze de citaten van Mao altijd bij zich konden dragen. In de aanloop naar de Culturele Revolutie (1965-1966) werd het massaal gedrukt en verspreid in China. Met de start van de Culturele Revolutie (1966) kreeg het boekje bijna een religieuze status: iedereen moest het lezen, citeren en met zich meedragen.
Lin Biao speelde een sleutelrol in het verheffen van Mao’s imago tot dat van een onfeilbare grote leider. Ook maakte hij van het Rode Boekje hét symbool van de Cultuurrevolutie. In 1969 werd hij bovendien officieel aangewezen als Mao’s beoogde opvolger.

Een origineel exemplaar van de eerste uitgave, eerste druk van Mao’s Rode Boekje.

Lin Biao (rechts) werd jarenlang aanzien als Mao's “grootste leerling”. Velen in China waren dan ook geschokt door zijn plotselinge dood en de beschuldiging van verraad.

Bij officiële gelegenheden stond Lin vaak aan Mao’s zijde, doorgaans met het Rode Boekje in de hand.

Bij officiële gelegenheden stond Lin vaak aan Mao’s zijde, doorgaans met het Rode Boekje in de hand.
Toch viel hij uiteindelijk bij Mao in ongenade. Zoals zo vaak in communistische regimes gold ook hier dat de meest toegewijde aanhanger vaak zelf verdacht werd en ten val kwam — het spreekwoordelijke monster dat zijn eigen kinderen verslindt. Mao voelde zich meer en meer ongemakkelijk door de groeiende macht van Lin en in juli 1971 besloot hij afstand van hem te nemen. Officieel behield Lin nog zijn titel als vicevoorzitter, maar zijn positie verzwakte snel.
Ongeveer een maand later, in september 1971, stortte zijn vliegtuig neer in Mongolië onder mysterieuze omstandigheden. Alle inzittenden, waaronder Lin zelf, zijn vrouw en hun zoon, kwamen om het leven. Volgens de officiële Chinese versie probeerde Lin te vluchten naar de Sovjet-Unie, nadat hij in Peking was beschuldigd van een poging tot staatsgreep.
De officiële versie van het verhaal schilderde hem plots af als verrader, maar historici achten dit verslag twijfelachtig. De ware toedracht blijft tot vandaag onopgehelderd, al menen sommigen dat hij ten onder ging aan een interne machtsstrijd binnen de hoogste rangen van de CCP.
Zo kwam er een abrupt einde aan Lin Biao: de rechterhand van Mao, de man die het imago van Mao had gesmeed tot dat van een onaantastbare leider en de geestelijke kracht achter het beruchte ‘Rode Boekje’.




De illusie van overvloed:
Tijdens de Grote Sprong Voorwaarts werden lokale partijfunctionarissen onder zware druk gezet om torenhoge oogstcijfers te rapporteren. Maar die waren er niet, en dus verzonnen ze ‘creatieve’ bewijzen van overvloed.
Een extreem voorbeeld is deze foto van kinderen die letterlijk op het graan konden staan. De bedoeling was te suggereren dat het graan zo rijkelijk groeide op de velden dat de kinderen er bovenop konden staan zonder erdoor te zakken. Lokale partijleiders gebruikten dergelijke foto’s om hun rapporten over de vermeende “recordoogsten” geloofwaardig te maken.

Achteraf bleek de foto volledig in scène gezet, terwijl de oogsten in werkelijkheid rampzalig waren. De Chinese propagandamachine toonde overvloed, terwijl miljoenen mensen stierven van de honger.
7.2.6 Het onvermijdelijke eindstation van het communisme
Na de tragedie van de Grote Sprong Voorwaarts kreeg Mao kritiek te verduren, zelfs binnen de Chinese Communistische Partij — een hoogst uitzonderlijk fenomeen binnen een communistisch regime, waar interne tegenspraak doorgaans taboe is. Mao reageerde onmiddellijk en in die context lanceerde hij in mei 1966 zijn tweede grote campagne: de ‘Grote Culturele Revolutie’.
Mao liet de scholen in China sluiten en mobiliseerde de studenten in fanatieke, paramilitaire eenheden: de zogenaamde ‘Rode Gardisten’. Sommigen waren amper 15 jaar oud. Volgens Mao kwam de kritiek voort uit het feit dat kapitalistische elementen de Partij waren binnengeslopen. Hij wees met de vinger naar intellectuelen, leraren, kunstenaars en bepaalde partijfunctionarissen, die hij als ‘bourgeois’ of ‘contrarevolutionair’ bestempelde. Maar uiteindelijk zouden ook gewone burgers het slachtoffer worden van deze ‘massavorming’.
Daarnaast gaf Mao de Rode Gardisten de opdracht om zich te richten op de vernietiging van de zogenaamde ‘Vier Oudheden’: de oude cultuur, oude ideologie, oude gewoonten en oude tradities. Daarmee ging Mao frontaal in de aanval tegen alles wat authentiek en traditioneel was. Niets bleef gespaard en in amper enkele jaren tijd werd China’s eeuwenoude culturele erfgoed nagenoeg volledig weggevaagd.

Het opschrift van deze prent luidt: “Verniel de oude wereld en creëer een nieuwe.”

Dit krantenartikel van 16 juli 1966 toont de toen 72-jarige Mao in een witte badjas, met op de achtergrond de Wuhan Yangtze River Bridge, in Wuhan. Op die dag sprong Mao in de Yangtse-rivier en zwom hij, volgens de officiële Chinese staatsmedia, meer dan 15 kilometer in iets meer dan een uur. Voor alle duidelijkheid, dat is meer dan dubbel zo snel als de huidige wereldrecordhouder op de 1500 meter vrije slag. In feite stond hij in die periode zwaar onder vuur door de mislukking van de Grote Sprong Voorwaarts. Deze ‘stunt’ in de Yangtse en de bijbehorende cijfers dienden in feite als inleiding van een politieke mythevorming: Mao wilde verschijnen als vitaal, onoverwinnelijk en bovenmenselijk. In de propaganda werd de zwemtocht geframed als de symbolische hergeboorte van Mao, maar ook als de publieke aftrap van de Culturele Revolutie, die officieel in mei van dat jaar was begonnen.

Tussen de regels...
Van de stilte naar de strijd — Mao’s aanval op het eeuwige pad
De ideologie van Mao Zedong kan worden samengevat in zijn idee van een...

...voortdurende strijd met de hemel,
strijd met de aarde en strijd met de mens
Maar deze visie is in feite precies het tegenovergestelde van wat Lao Zi, de grondlegger van het taoïsme, zo’n 2500 jaar geleden onderwees toen hij zei:

De mens volgt de aarde, de aarde volgt
de hemel, de hemel volgt de Tao,
en de Tao volgt de weg van de natuur.
Eeuwenlang had het Chinese volk geleefd volgens de ‘Tao’. Om zijn ideologie een kans op slagen te geven in een samenleving met een zodanig diepgeworteld spiritueel fundament, achtte Mao het dan ook absoluut noodzakelijk om dit spiritueel fundament volledig op te breken.
Dit vernietigingsproces zou later de geschiedenisboeken ingaan als — de ‘Grote Culturele Revolutie’.
Monniken werden verdreven uit de tempels, die met de grond werden gelijkgemaakt terwijl eeuwenoude houten Boeddhabeelden in brand werden gestoken. Sommige monniken werden zelfs verplicht om te huwen. Onschatbare culturele artefacten, religieuze gebouwen, oude boeken en historische documenten werden publiekelijk vernietigd. Enkel het Rode Boekje van Mao was nog heilig.
De foto rechts werd genomen vlak voordat Rode Gardisten op de begraafplaats van Confucius het Confucius-gedenkteken neerhaalden. Eeuwenlang vormde de leer van Confucius de hoeksteen van de Chinese beschaving: ze bepaalde hoe het land bestuurd werd en hoe ambtenaren werden aangesteld. Het had zelfs tot op zekere hoogte invloed op de mode. Het neerhalen van het Confucius-gedenkteken was dan ook een diep symbolische daad — een openlijke breuk met alles waar China eeuwenlang voor had gestaan.
Het ging van kwaad naar erger. De hele samenleving werd in feite neergehaald en de maatschappelijke orde stortte in. Leraren en intellectuelen die werden bestempeld als contrarevolutionairen, vaak door hun eigen leerlingen, werden onder het toeziend oog van Mao op gruwelijke wijze vervolgd.
Tijdens publieke ‘strijdsessies' werden zij gedwongen om hun ‘foute ideeën’ en ‘foute gedachten’ te bekennen. De gruweldaden waren onvoorstelbaar.

Een groep studenten, velen nog tieners, trokken in 1966 van Beijing naar Qufu, de geboorteplaats en laatste rustplaats van Confucius. Ze richtten er enorme vernielingen aan. Ook het Confucius-gedenkteken werd neergehaald. Later beschreef een van hen hoe ze “niet eens wisten wie Confucius echt was, alleen dat hij een vijand moest zijn.”
Sommigen werden levend gevild en vervolgens overgoten met een zoutoplossing. Anderen werden gedwongen spijkers of glasscherven in te slikken en stierven op een gruwelijke manier. Er zijn zelfs verhalen over kannibalisme als een vorm van vertier onder de Rode Gardisten.
Daarnaast werd het Chinese volk geconfronteerd met nog een andere typerende factor van het communisme, namelijk de ‘voortdurende angst’. Als een zwaard van Damocles dat continu boven het hoofd hing, leefde iedereen in de permanente vrees het volgende slachtoffer te worden van repressie. Mensen werden letterlijk ‘gecontroleerd’ door angst. De Rode Gardisten waren immers overal aanwezig. Ze trokken als een ideologische stormram in groten getale door steden en dorpen, vielen scholen, fabrieken en zelfs privéwoningen binnen om mensen te ondervragen, te vernederen, te mishandelen, publiekelijk aan de schandpaal te nagelen of erger.
![]() Tijdens de Culturele Revolutie werden zogenoemde “strijdsessies” georganiseerd waarin vermeende contrarevolutionairen publiekelijk werden vernederd en mishandeld. Velen onder hen werden ter plekke vermoord. | ![]() Voorafgaand aan de executie werden diegenen die waren aangeduid als 'contrarevolutionairen' vaak publiekelijk tentoongesteld. | ![]() Soms werden de haren geheel of gedeeltelijk afgeschoren, of werden de beschuldigden besmeurd met verf en inkt. |
|---|---|---|
![]() In sommige steden werden kinderen zelfs aangemoedigd hun ouders te beschuldigen van “reactionaire” gedachten of handelingen. Het opbiechten of aangeven van familieleden werd gezien als bewijs van loyaliteit aan Mao. | ![]() Ze kregen borden om hun nek gehangen met daarop hun zogenoemde ‘misdaden’. | ![]() Mensen werden onder dwang tot bekentenissen gedwongen, waarin zij hun zogenoemde ‘verkeerde gedachten’ moesten opbiechten. |
![]() Tijdens deze ‘strijdsessies’ werden de beschuldigden niet alleen door de Rode Gardisten vernederd, maar soms ook door hun collega’s of buren—en in extreme gevallen zelfs door eigen familieleden. | ![]() Executies werden vaak uitgevoerd op pleinen of zelfs sportstadions, waar duizenden toeschouwers, soms zelfs scholieren, verplicht aanwezig moesten zijn. Het was bedoeld om angst in te boezemen en iedereen eraan te herinneren dat afwijking van de partijlijn levensgevaarlijk was. | ![]() Straatexecuties waren tijdens de Culturele Revolutie vrijwel dagelijkse kost en dienden als een macaber theater van terreur, waarmee Mao’s regime de samenleving conditioneerde tot gehoorzaamheid. |
![]() De jeugd moest leren ‘vechten voor de revolutie’, en geweld werd gezien als een legitiem middel om de ‘klassenvijanden’ uit te roeien. Zelfs kleuters werden gedwongen getuige te zijn van openbare executies. Aanvankelijk gilden ze van angst en afschuw, maar na verloop van tijd verstomde hun reactie; door herhaling werden ze bijna ongevoelig voor deze gruwelijke taferelen. | ![]() Kleuters werden tijdens de Culturele Revolutie gedwongen deel te nemen aan ceremonies waarin ze trouw aan de Partij moesten beloven, het Rode Boekje ophieven en Mao zwoeren te volgen. In de kleuterklassen hingen overal portretten van Mao, en kinderen leerden hem al op zeer jonge leeftijd te vereren als een vaderfiguur. | ![]() Op deze prent staat de slogan: ‘We moeten Taiwan bevrijden!’ Sinds de CCP de macht greep in China, is de kwestie Taiwan altijd gevoelig gebleven. |
![]() Propagandaposters waren typerend voor de beeldcultuur van de Culturele Revolutie. | ![]() Tijdens de Culturele Revolutie werden de traditionele Chinese opera’s grotendeels verboden en vervangen door zogeheten “revolutionaire opera’s”. | ![]() Boeddhistische geschriften gaan in vlammen op. Tijdens de Culturele Revolutie werden zulke verbrandingen op pleinen en voor tempels georganiseerd, vaak onder luid gejuich van de Rode Gardisten. Voor veel monniken en gelovigen was dit een diep traumatische ervaring: eeuwenoude manuscripten, soms zorgvuldig met de hand overgeschreven en generaties lang bewaard, werden tot as gereduceerd terwijl mensen werden gedwongen toe te kijken. |
![]() Deze foto toont katholieke nonnen die publiekelijk worden vernederd. Hun kloosters en scholen werden geplunderd of gesloten. Er bestaan anekdotes over nonnen die, terwijl hun klooster in brand werd gestoken, psalmen bleven bidden of in stilte een kruis sloegen, wat door Rode Gardisten vaak met nog hardere repressie werd beantwoord. | ![]() In verschillende Chinese steden braken ook gewapende straatgevechten uit tussen rivaliserende groepen Rode Gardisten. De Rode Gardisten waren in feite geen eenheid, maar verdeeld in facties die elk beweerden de “ware revolutionairen” te zijn en Mao’s lijn het zuiverst te volgen. Sommige facties kregen steun van lokale partijleiders, wat de strijd nog heviger maakte. |

Tussen de regels...
Angst onder Stalin
Ook Stalin had als geen ander begrepen hoe angst kon worden ingezet als wapen om het volk te beheersen. Tijdens de Grote Zuivering in de Sovjet-Unie in de jaren dertig gaf Stalin de geheime dienst, de NKVD, opdracht binnen een bepaalde termijn een vast aantal "staatsvijanden" te arresteren. Deze quota moesten koste wat kost worden gehaald, ongeacht of er daadwerkelijk schuldigen waren. Werden de lijsten te laat of onvolledig ingediend, dan liepen de verantwoordelijken het risico zelf gearresteerd te worden.
De vele anekdotes inllusreren hoe de mensen voortdurend leefden met het spreekwoordelijke zwaard boven het hoofd. Tijdens een partijkongres werd Stalin met een staande ovatie toegejuicht. Maar niemand durfde als eerste te stoppen met klappen. Uiteindelijk viel een fabrieksdirecteur na meer dan tien minuten uitgeput neer en hield op met applaudisseren. Kort daarna werd hij gearresteerd. Sommige mensen gingen ’s ochtends naar hun werk en kwamen nooit meer terug. Collega’s deden alsof ze nooit hadden bestaan, want vragen stellen betekende zelf verdacht worden. De NKVD kwam meestal ’s nachts. Zodra een auto voorreed, sloeg de paniek toe in het hele flatgebouw. Bewoners luisterden verstijfd of de voetstappen naar hun deur zouden komen.

Stalin op zijn 70e verjaardagsfeest, met links van hem Mao Zedong.
Veel mensen hielden een tas met kleren en wat brood klaar bij de deur, om bij een mogelijke arrestatie meteen mee te nemen. Toen een regionale chef aangaf dat er in zijn gebied geen “staatsvijanden” meer waren, kreeg hij als antwoord: “Zoek beter en begin bij jezelf.” Binnen enkele dagen werd hij zelf gearresteerd.
Zo leefden niet alleen gewone burgers, maar ook partijfunctionarissen en veiligheidsagenten in voortdurende angst alsof ze elke nacht hun laatste vrije uren beleefden. Volkomen onschuldige mensen werden willekeurig opgepakt om de quota te vervullen en verdwenen in de Goelags — strafkampen waar velen nooit uit terugkeerden.
Net als in de Sovjet-Unie onder Stalin leefden ook de mensen in China tijdens de Culturele Revolutie onder een allesdoordringende angst, gevoed door de voortdurende terreur van de Rode Gardisten. Deze ‘angst’ zorgde ervoor dat de samenleving in feite werd gefragmenteerd tot op het niveau van het individu. Iedereen keek met argwaan en wantrouwen naar elkaar, en zelfs binnen het eigen gezin durfde men niet meer vrijuit zijn mening te uiten. Een zoon die zijn eigen vader aangaf als contrarevolutionair, met alle desastreuze gevolgen van dien, was helemaal geen uitzondering en je mening uiten werd een levensgevaarlijke onderneming.
De Culturele Revolutie werd een levende nachtmerrie voor het Chinese volk, en had daarnaast ook desastreuze gevolgen voor China’s 5000 jaar oude cultuur. Het wordt beschouwd als een van de gruwelijkste en gewelddadigste periodes uit de wereldgeschiedenis en opnieuw lieten miljoenen mensen het leven. Het land raakte verstrikt in een neerwaartse spiraal van chaos en waanzin, en ook de economie kwam vrijwel volledig tot stilstand.
Je zou kunnen denken dat je als groot leider van de natie zoiets toch niet zou willen zien gebeuren. Maar zo was het niet. Dit was namelijk precies wat Mao had proberen te bereiken. In een brief aan zijn vrouw schreef hij: “Alles onder de hemel is nu in totale chaos…” en hij voegde eraan toe: “De situatie is uitstekend!”
Het was net de bedoeling van Mao om zodanig veel chaos te veroorzaken dat zijn heerschappij zou worden gezien als de enige vaste rots waaraan het volk zich kon vastklampen. Zo bleef hij aan de macht en Mao had hiermee zijn doel bereikt. De tragedie van de Grote Sprong Voorwaarts werd snel vergeten, de kritiek ebde weg en zijn positie binnen de partij werd zelfs sterker dan ooit.
De Culturele Revolutie heeft China fundamenteel veranderd, en pas na de dood van Mao in 1976 kwam er een einde aan. Enkele van Mao’s naaste aanhangers werden verantwoordelijk gesteld voor de begane wandaden en op symbolische wijze veroordeeld. Een van hen was trouwens zijn eigen vrouw. De vrouw die zich had gepresenteerd als de architect van de Culturele Revolutie en de hoedster van Mao’s gedachtegoed, werd uiteindelijk de zondebok. De status van Mao daarentegen werd verheven tot die van een god en zijn portret hangt tot op de dag van vandaag nog steeds op het Tiananmenplein.
En zo was ook China aangekomen op het ‘vaste eindstation van het communisme’: het waanbeeld van een utopisch paradijs op aarde, ontaard in een totalitair systeem met een dictatoriale leiding, onnoemelijk veel menselijk leed, en een quasi-verafgoding van de Grote Leider.

De ‘Bende van Vier' bestond uit vier hoge partijfunctionarissen, met de weduwe van Mao, Jiang Qing, (rechts op de foto) als meest prominente figuur. Vlak na de dood van Mao (september 1976) werden ze gearresteerd en tijdens een showproces veroordeeld tot lange gevangenisstraffen voor het veroorzaken van al het leed en de chaos tijdens de Culturele Revolutie.


Deze foto's tonen Mao Zedong en Lin Biao temidden van de Rode Gardisten in Peking. Tijdens de Culturele Revolutie organiseerde Mao meerdere grote bijeenkomsten van Rode Gardisten op het Tiananmen-plein. De meest opvallende vond plaats op 18 augustus 1966, toen Mao er een massale menigte toesprak. Tijdens deze bijeenkomst werden de jonge Rode Gardisten door Mao opgeroepen de 'Vier Oude' te vernietigen: oude ideeën, oude cultuur, oude gebruiken en oude gewoonten. Dit leidde tot een neerwaartse spiraal van chaos en geweld in heel China, met grootschalige vernielingen en vervolgingen van vermeende tegenstanders van het regime.

7.3 De onvertelde geschiedenis van het communisme
De vraag stelt zich: wat leert de jeugd van vandaag op school eigenlijk over het communisme? Het antwoord is kort: zo goed als niets. Pas in de hogere jaren van het secundair onderwijs wordt het onderwerp min of meer aangeraakt. Op zich is dat ronduit merkwaardig, als je weet welke gigantische impact de opkomst van het communisme wereldwijd heeft gehad op de samenleving.
Wat onze jeugd onderwezen krijgt als het ultieme voorbeeld van menselijke waanzin, is voornamelijk wat er gebeurd is onder Hitler en het naziregime tijdens de Holocaust. Het is een gitzwarte bladzijde in onze geschiedenisboeken. Maar wanneer we naar de cijfers kijken, valt iets merkwaardigs op. Het aantal dodelijke slachtoffers enkel en alleen door de opkomst van het communisme in China ligt hoger dan het totale wereldwijde dodental van de Eerste én Tweede Wereldoorlog samengeteld.

Wanneer we de wereldwijde impact van het communisme in ogenschouw nemen, ligt het totale aantal dodelijke slachtoffers zelfs hoger dan dat van álle oorlogen en álle veldslagen die doorheen de hele menselijke geschiedenis zijn opgetekend in onze geschiedenisboeken. Enkel en alleen op basis van beschikbare cijfers kunnen we stellen dat het communisme in feite zowat de grootste moordmachine is die de mensheid ooit heeft gekend.
Het communisme is diep verweven met de wereldgeschiedenis. De verhalen zijn gruwelijk, de cijfers ronduit hallucinant. Maar toch moeten we vaststellen dat dit in onze scholen nauwelijks, of zelfs helemaal niet, wordt onderwezen.

7.3.1 Hoe het allemaal begon met een experiment in Parijs
Iets wat weinig mensen weten, is dat de eerste communistische revolutie eigenlijk plaatsvond in Franse hoofdstad. We hebben het dan over de ‘Parijse Commune’, een vroeg experiment van het communisme in het Parijs van 1871 dat volledig uit de hand liep en onuitwisbare littekens naliet.
We gaan terug naar de periode van Napoleon III, de neef van de grote Napoleon I, die als eerste democratisch verkozen president van Frankrijk (1848) uiteindelijk in 1852 zichzelf tot keizer uitriep — net zoals zijn oom dat in 1804 deed, nota bene op dezelfde dag: 2 december. Maar in 1870 leed het Franse leger een verpletterende nederlaag tegen de Pruisen tijdens de Frans-Pruisische oorlog. Napoleon III werd gevangengenomen en verbannen naar het Verenigd Koninkrijk. Het werd ook het einde van zijn bewind. Hij is zelfs nooit meer teruggekeerd naar Frankrijk. Enkele jaren later stierf hij in Chislehurst, een klein dorpje ten zuidoosten van Londen.

Napoleon III: 1848 – 1870: eerste verkozen president van de Franse Republiek en daarna keizer van de Fransen
De interim-regering die na de Franse nederlaag tegen Pruisen in Parijs was aangesteld, werd echter begin maart 1871 verdreven door een groep revolutionairen en trok zich al snel terug naar Versailles, terwijl in de hoofdstad de revolutionairen de macht grepen. Het ging om een bont gezelschap van socialisten, jacobijnen, anarchisten maar ook leden van de Franse afdeling van de Eerste Internationale (opgericht door Karl Marx zelf). Op 18 maart 1871 riepen zij hun eigen bestuur uit: de Parijse Commune. Het was geen staatsgreep over heel Frankrijk, maar een opstand die Parijs veranderde in een soort ministaatje, geheel afgesneden van de rest van het land.


De stad werd hermetisch afgesloten: de communards barricadeerden de toegangswegen, alsof Parijs zichzelf opsloot in een rebellenfort.
De revolutionairen installeerden zelfs een ‘Comité van Openbare Veiligheid’, naar het beruchte voorbeeld uit de Franse Revolutie. De spanningen liepen snel op: kerken en kloosters werden aangevallen, geestelijken gevangen genomen, en religieuze en monarchistische symbolen uit de straatbeeld verwijderd.
De gigantische zuil op het beroemde Place Vendôme, ter ere van Napoleon, wordt jaarlijks door talloze toeristen gefotografeerd, maar weinigen weten dat het een kopie is van het origineel dat door de Commune in mei 1871 werd neergehaald.
![]() | ![]() | ![]() |
|---|---|---|
![]() | ![]() | ![]() |
![]() | ![]() | ![]() |
![]() |
In 1852 schreef Karl Marx het pamflet Le 18 Brumaire de Louis Bonaparte. Daarin schreef hij het volgende: “...maar als de keizerlijke mantel uiteindelijk van de schouders van Louis Bonaparte valt, zal ook het bronzen standbeeld van Napoleon van de top van de Vendôme-zuil vallen." Bijna twintig jaar later, werd de Vendôme-zuil daadwerkelijk omgehaald door de communards. Marx’ voorspelling, oorspronkelijk bedoeld als politieke analyse en kritiek, werd hiermee letterlijk werkelijkheid.
Het revolutionaire experiment duurde echter slechts twee maanden. Tijdens de ‘Bloedige Week’ (21–28 mei 1871) heroverden regeringstroepen Parijs. Maar vooraleer de Commune definitief werd neergeslagen, trokken de opstandelingen, gewapend met pek, terpentijn en petroleum, door de stad en in wanhoop en wraak staken ze zowat de halve binnenstad in brand.
Van historische gebouwen zoals het stadshuis bleef slechts een ruïne over. Hetzelfde lot trof delen van de Bibliothèque Nationale, het justitiepaleis, het toenmalige ministerie van Financiën en de Halles centrales (markthallen). Ook het Paleis der Tuilerieën, het oorspronkelijke Koninklijk Paleis waar Lodewijk XIV als kleine jongen nog rondrende, gingen in vlammen op en er bleef helemaal niets van over. Tegenwoordig is het een open vlakte vlakbij het Louvre.
Zelfs het Louvre dreigde door de vlammen verzwolgen te worden, toen enkele bijgebouwen net op het moment dat het Franse leger de binnenstad binnentrok in brand stonden. De troepen arriveerden net op tijd om de brand te blussen; anders zou hoogstwaarschijnlijk ook het Louvre verloren zijn gegaan.
![]() In de nacht van 23 op 24 mei 1871 laaiden overal tegelijk branden op: in de Tuilerieën, het Hôtel de Ville, het Palais d’Orsay, de Halles centrales, het Justitiepaleis en talloze barakken en kazernes. De Seine weerspiegelde het vuur, en van de heuvels rond Parijs leek het alsof de stad zelf een gigantische toorts was geworden. | ![]() Toen het stadhuis (Hôtel de Ville) op 24 mei 1871 in brand stond, probeerden brandweerlieden de vlammen te bestrijden, maar de communards hielden hen met geweerschoten op afstand. | ![]() Toen de regeringstroepen bij het neerslaan van de Commune het plein bereikten, was er van het trotse stadhuis niets meer over dan een rokende puinhoop — “een brandstapel van steen en hout,” zoals een krant het noemde. |
|---|---|---|
![]() Alleen de gevels stonden nog overeind, en ook die moesten later worden afgebroken. Tussen 1873 en 1892 is het stadhuis in zijn huidige vorm herbouwd, in dezelfde stijl. | ![]() Restanten van de binnenkoer van het stadhuis. | ![]() Uiteindelijk gingen niet alleen de zalen en de kunstschatten verloren, maar ook de archieven van de stad, waaronder registers die teruggingen tot de middeleeuwen. |
![]() Een buitenlandse correspondent schreef dat de branden “het oude Parijs verteerden alsof het een reusachtig vreugdevuur was, ontstoken door de Commune om het verleden uit te wissen.” Toeschouwers stonden sprakeloos, verscheurd tussen afschuw en fascinatie. Voor velen leek het alsof een tijdperk letterlijk in rook opging — het koninklijke en keizerlijke Parijs verdween voor hun ogen in as. | ![]() Tijdens de Bloedige Week (24–26 mei 1871) staken de communards ook de Tuilerieën, het koninklijk paleis naast het Louvre, in brand. Ze hadden eerst karren vol petroleum, pek en buskruit naar binnen gereden. Het vuur woedde dagenlang. | ![]() Het paleis brandde volledig uit en bleef daarna een ruïne, die in 1883 definitief werd afgebroken. |
![]() Het koninklijk paleis, waar ooit Lodewijk XIV als kind door de zalen rende en waar Napoleon zijn vertrekken had, ging als een enorme fakkel ten onder. | ![]() Een ooggetuige beschreef hoe de vlammen tot in de wijde omtrek te zien waren en dat het gerinkel van instortende kroonluchters zich vermengde met het gebulder van de brand. | ![]() Ook het Justitiepaleis ging in vlammen op. Toen het vuur eenmaal oplaaide, verspreidde het zich razendsnel naar de verschillende vleugels. |
![]() Hoewel het Palais de Justice werd verwoest en verschillende vleugels in de as gelegd werden, bleef de Sainte-Chapelle, die midden in het complex ligt, wonderlijk genoeg overeind. Ze liep wel wat schade op aan glas-in-lood en interieur, maar ontsnapte aan totale vernietiging. | ![]() Place de la Concorde | ![]() Palais de la Légion d'Honneur |
![]() 'Paris brulé par la Commune' | ![]() Het Palais d’Orsay was een indrukwekkend regeringsgebouw uit de tijd van Napoleon III, gelegen aan de linkeroever van de Seine. Tijdens de Parijse Commune van 1871 werd het, net als de Tuilerieën en het Hôtel de Ville, in brand gestoken. Het vuur verwoestte het paleis volledig, en de ruïnes bleven decennialang onaangeroerd staan. | ![]() De zwartgeblakerde resten van het Palais d’Orsay stonden er zo lang – bijna 40 jaar – dat Parijzenaars het spottend “de mooiste ruïne van Parijs” gingen noemen. Pas begin 20e eeuw werd het gesloopt en op dezelfde plek verrees later het beroemde Gare d’Orsay, het huidige Musée d’Orsay. |
![]() Rue de Rivoli | ![]() Rue de Lille |
Op 28 mei 1871 kwam er officieel een einde aan de Parijse Commune. De balans: ongeveer 10.000 dodelijke slachtoffers (sommige bronnen spreken zelfs over mogelijk 20.000), en daarnaast onnoemelijk veel kunstschatten en historische gebouwen die verloren gingen. Men zegt wel eens: Parijs is een prachtige stad, maar ze was ooit nog veel mooier — vóór de Parijse Commune.
Karl Marx vond het fantastisch. In een brief aan zijn kameraad Ludwig Kugelmann van 12 april 1871 prees Marx de revolutionaire Parijse communards van 1871 als “hemelbestormers” (“Sie haben den Himmel gestürmt”). Met deze beeldspraak duidde hij hun revolutionaire geestdrift en hun poging het bestaande bestel radicaal omver te werpen (sindsdien is de metafoor “hemelbestormers” vaak gebruikt om radicale revolutionairen te typeren). In Marx’ ogen was de Parijse Commune van 1871 een geslaagd experiment en een groot succes en was hiermee het bewijs geleverd dat de arbeiders wel degelijk in staat waren hun lot in eigen handen te nemen en een ‘nieuwe wereld’ te creëren. Marx was ervan overtuigd dat het nu enkel nog een kwestie van tijd was vooraleer een ‘grote revolutie’ ergens in Centraal-Europa zou uitbreken. Uiteindelijk zou het communisme, geheel tegen de verwachtingen van Marx trouwens, terechtkomen in het ver afgelegen Rusland en later zijn weg vinden naar het nog verder afgelegen China.

Tussen de regels...
‘Communisme avant la lettre’
De Parijse Commune was geïnspireerd op het model van de Franse Revolutie uit 1789
1789 is een legendarisch jaar in onze wereldgeschiedenis, waarin twee fundamenteel verschillende visies op vrijheid en samenleving een eerste vorm kregen, twee visies die het verdere verloop van de wereldgeschiedenis zouden bepalen.
Aan de ene kant werden in dat jaar in New York de beroemde ‘amendementen’ voorgesteld die later als de ‘Bill of Rights’ aan de Amerikaanse Grondwet zouden worden toegevoegd. Deze fundamentele rechten waren werkelijk revolutionair voor hun tijd: scheiding der machten, persvrijheid, vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid, en meer. Het Amerikaanse systeem voorzag in een overheid die niet ‘over’ het volk regeerde, maar ‘voor’ het volk — via democratisch verkozen volksvertegenwoordigers die macht kregen, maar tegelijk onderworpen waren aan zogenaamde ‘checks and balances’ en regelmatig herverkozen moesten worden. Het was nog maar een begin, en er lag nog veel werk in het verschiet, maar in dat legendarische jaar werd in New York door de ‘Founding Fathers’ de fundering gelegd voor ‘the land of the free’ — en daarmee ook het vrije Westen zoals wij dat vandaag kennen. Tot deze groep van ‘Founding Fathers’ behoorden trouwens vier mannen die later zelf president van de Verenigde Staten zouden worden (zie foto v.l.n.r.): de eerste Amerikaanse president George Washington, maar daarnaast ook John Adams, Thomas Jefferson en James Madison.

Toen de Amerikaanse Grondwet in 1787 werd opgesteld, leidde dit tot felle kritiek. Er werd gevreesd dat het allemaal een maat voor niets zou zijn geweest. Men vreesde dat de nieuwe federale regering te machtig zou worden zonder waarborgen voor de individuele vrijheden. In de zomer van 1789 stelde James Madison daarom in het Huis van Afgevaardigden (toen nog in Federal Hall, New York City) een reeks amendementen voor die uiteindelijk uitgroeiden tot de Bill of Rights. Sommige afgevaardigden wilden de rechten rechtstreeks in de tekst van de Grondwet invoegen, maar het Congres besloot ze als aparte amendementen toe te voegen. Daardoor kregen ze een eigen, bijna mythische status.
De eedaflegging van George Washington als eerste president van de Verenigde Staten vond plaats op 30 april 1789, op het balkon van Federal Hall in New York City, de toenmalige hoofdstad. Op de plaats van de eedaflegging staat vandaag een levensgroot standbeeld van Washington, dat uitkijkt op het beursgebouw aan Wall Street.
De plechtigheid is bijna mythisch geworden en zit vol kleine anekdotes. Men was blijkbaar vergeten een Bijbel klaar te leggen voor de ceremonie, zodat er in allerijl eentje werd gehaald uit de nabijgelegen St. John’s Lodge van de Vrijmetselaars. Washington legde daarop zijn hand. De woorden “So help me God” zou hij aan het einde van de eed zelf hebben toegevoegd, al is dat historisch onzeker (de vroegste bronnen hiervoor dateren pas decennia later). Toch werd het een standaardformule bij alle latere presidentiële eedafleggingen.
Zijn inaugurele rede hield Washington binnen, in de Senaatskamer. Hij sprak met zichtbare nervositeit; zijn stem was zacht en zijn handen trilden. Toch legde hij sterk de nadruk op deugd, plicht en de afhankelijkheid van God voor het welslagen van de republiek. Buiten jubelde de menigte. De 57-jarige Washington straalde ernst en waardigheid uit, maar ook een zekere zwaarte. Hij wist dat hij een historische verantwoordelijkheid droeg.
De eedaflegging van Washington markeerde niet alleen het begin van zijn presidentschap, maar ook de praktische geboorte van de Amerikaanse republiek. In 1789 bestond de Verenigde Staten uit dertien staten, en in de daaropvolgende eeuwen zouden daar nog zevenendertig bijkomen. In de loop van die uitbreiding groeide het land uit tot de centrale referentie van het vrije Westen, gebouwd op de historische hoekstenen van beperkt bestuur, religieuze vitaliteit en de maatschappelijke stabiliteit van het gezin.
_edited_edited.jpg)

Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, in de Franse Hoofdstad Parijs, brak in datzelfde jaar 1789 de Franse Revolutie uit. Hier begon een heel ander verhaal. Aanvankelijk leek het ook hier veelbelovend, met idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Maar de revolutie werd van bij het begin gevoerd als een ware ‘strijd’, die snel zou ontaarden in extreme en gewelddadige omwentelingen.
Onder leiding van Maximilien Robespierre (foto rechts) werd een schrikbewind ingesteld, dat de de naam ‘La Terreur’ kreeg. Dit is in feite waar de term ‘terreur’ zijn oorsprong vond. Tijdens deze periode functioneerde Frankrijk officieel onder het Comité de Salut Public (Comité van Algemeen Welzijn), dat ironisch genoeg de feitelijke regering vormde tijdens ‘La Terreur’.
Gaandeweg radicaliseerde de Revolutie volledig: de monarchie werd afgeschaft, koning Lodewijk XVI (foto midden) werd terechtgesteld, en onder leiding van de Jacobijnen en Robespierre ontstond een klimaat van wantrouwen. Het ideaal van vrijheid maakte plaats voor het dogma van veiligheid door strengheid. La Terreur (1793–1794) werd het instrument en de sfeer werd grimmiger en grimmiger tot uiteindelijk de guillotine werd geinstalleerd, als het symbool van de Revolutie. De guillotine werd voorgesteld als een ‘menselijke' manier van executie — snel, efficiënt, en zogenaamd gelijk voor alle klassen. Iedereen die ook maar verdacht werd van tegenstand tegen de idealen van de Revolutie liep het risoco te worden aangewezen, opgepakt en geëxecuteerd. Uiteindelijk nam ook hier de ‘angst’ over van de rede.

Op 21 januari 1793 werd koning Lodewijk XVI onder de guillotine gebracht op de Place de la Révolution in Parijs (het huidige Place de la Concorde). De koning toonde opmerkelijke kalmte; zijn laatste woorden, waarin hij zijn onschuld en zijn hoop op vergeving voor alle betrokkenen uitsprak, werden echter overstemd door tromgeroffel. Het vallende mes maakte een einde aan eeuwen Franse monarchie. Enkele maanden later, op 16 oktober 1793, onderging ook koningin Marie-Antoinette hetzelfde lot. Na een schijnproces wegens hoogverraad en andere beschuldigingen, werd zij naar het schavot gevoerd. Toen zij het schavot beklom om te worden geguillotineerd, struikelde ze en zette per ongeluk haar voet op die van de beul, Charles-Henri Sanson. Volgens de overlevering zei ze daarop: “Oh, neem me niet kwalijk, mijnheer, ik deed het niet expres.”
Er werd zelfs een wet aangenomen die toeliet dat een eenvoudige verdachtmaking voldoende was om iemand ter dood te veroordelen. Op het hoogtepunt van ‘la terreur’ was het aantal executies zodanig hoog dat historici hebben berekend: op piekdagen kwam het neer op gemiddeld één onthoofding om de 2 à 3 minuten. Het illustreert treffend hoe meedogenloos en efficiënt ‘la Terreur’ werkte. Het regime van de ‘Terreur’ kwam uiteindelijk tot een abrupt einde toen Robespierre zelf werd gearresteerd en onder de guillotine terechtgesteld op 28 juli 1794 ... Het revolutionaire monster at haar eigen kinderen op.
De Franse Revolutie, ooit begonnen met de roep om vrijheid en menselijke waardigheid, ontspoorde in een nachtmerrie die tussen de 30.000 en 40.000 doden eiste — een voorloper van het totalitaire denken, als een soort ‘communisme avant la lettre’. Alle ingrediënten waren al aanwezig — nog vóór het woord bestond.
7.3.2 Een wolf in schaapsvacht
Sinds de periode van Karl Marx heeft het ‘spook van het communisme’ voortdurend geprobeerd in het vrije Westen te infiltreren. Als een wolf in schaapsvacht heeft het zich door de jaren heen voortdurend heruitgevonden, onder verschillende namen en labels, gehuld in moeilijk te onderscheiden vormen met als ultieme doel het vrije Westen ten val te brengen.
Om dit te begrijpen, moeten we opnieuw de geschiedenis induiken. We keren terug naar de beginjaren van de communistische machtsovername in Rusland, kort na de Eerste Wereldoorlog (1914–1918). De tsaar werd in 1917 afgezet en uiteindelijk, in 1918, samen met zijn hele familie op gruwelijke wijze vermoord. Onder leiding van Lenin en de bolsjewieken werd in oktober 1917 de Voorlopige Regering in Petrograd (het huidige Sint-Petersburg) omvergeworpen. Deze communistische staatsgreep zou de geschiedenisboeken ingaan als de Oktoberrevolutie en het markeerde het begin van de bolsjewistische heerschappij, die uiteindelijk zou uitmonden in de oprichting van de Sovjetunie in 1922. Het werd de eerste communistische grootmacht ter wereld.
Maar twee jaar na de Oktoberrevolutie, in 1919, gebeurde iets wat amper belicht wordt in de geschiedenisboeken: Lenin richtte de ‘Derde Communistische Internationale’ op — beter bekend als de ‘Komintern’.
De Derde Internationale begon met een congres in 1919, maar werd de naam van een wereldwijde communistische organisatie die onder controle stond van het Sovjetregime. Het doel van de Komintern was simpel: het communisme moest zich niet beperken tot Rusland, maar wereldwijd worden verspreid. De Komintern fungeerde als een instrument voor deze internationale revolutie — als een netwerk van communistische partijen die wereldwijd werden opgericht en die vanuit Moskou werden aangestuurd en ideologisch gevormd om te komen tot een wereldwijde vestiging van een communistisch systeem.

Na zijn troonsafstand werd tsaar Nicolaas II samen met zijn hele gezin gevangengehouden in Jekaterinenburg (Oeral). Tijdens de burgeroorlog verloren de bolsjewieken op een gegeven moment terrein en uit vrees dat de Romanovs mogelijk door het Witte Leger zouden worden bevrijd, werden in de nacht van 16 op 17 juli 1918 tsaar Nicolaas II, zijn vrouw Alexandra, hun vijf kinderen (Olga, Tatiana, Maria, Anastasia en Aleksej) en enkele bedienden in de kelder van het Ipatiev-huis geëxecuteerd door bolsjewistische troepen. Met hun dood kwam niet alleen een definitief einde aan het Russische tsarendom, maar verdween ook de symbolische continuïteit van de eeuwenoude Romanov-dynastie.

In maart 1919 kwamen revolutionaire socialisten en communisten van over de hele wereld samen in Moskou voor de oprichting van de Communistische Internationale, kortweg de Derde Internationale. Vladimir Lenin opende de bijeenkomst met een vurige toespraak, waarin hij benadrukte dat de revolutie niet beperkt mocht blijven tot Rusland, maar een wereldrevolutie moest worden.
Tussen de regels...
Lenin’s visie op de wereldgeschiedenis
Lenin keek met opmerkelijke eenvoud naar de loop van de wereldgeschiedenis.
In zijn ogen was er eerst een periode van slavernij geweest, gevolgd door het feodalisme. Daarna kwam het kapitalisme, dat op zijn beurt zou leiden tot het socialisme — als noodzakelijke voorfase van het uiteindelijke einddoel: het communisme.
Dit was wat Lenin bedoelde toen hij zei: “Het ware doel van socialisme is uiteindelijk communisme.”
Lenin beschouwde de geschiedenis dus als een lineair proces van louter economische krachtsverhoudingen. Alle andere perspectieven — moreel, religieus, spiritueel of filosofisch — noemde hij “ideologische mist” die volgens hem enkel waren bedoeld “om het volk van de klassenstrijd af te leiden”.

Vladimir Lenin, geflankeerd door zijn opvolger Jozef Stalin.
Om het communisme wereldwijd te verspreiden, wou Lenin voornamelijk werken in twee strategische richtingen. Eén daarvan was China. En inderdaad, in datzelfde jaar, 1919, werd in Shanghai de ideologische basis gelegd van een lokale communistische partij. Dit gebeurde naar aanleiding van de 4 mei-beweging, die vooral in Shanghai en Peking plaatsvond. Het was een cruciaal keerpunt dat uiteindelijk leidde tot de oprichting van de Chinese Communistische Partij (CCP) in 1921.
Maar het zou uiteindelijk nog zo’n dertig jaar duren vooraleer China daadwerkelijk communistisch werd (in 1949). Gedurende die hele periode volgde de CCP de ideologische en strategische richtlijnen die vanuit Moskou werden uitgezet. Mao Zedong, die al snel opklom tot partijleider, stond in die aanloopfase letterlijk op de loonlijst van de Sovjets. Vanuit Moskou ontving hij een maandloon van 160 yuan — een aanzienlijk bedrag, zeker als je weet dat een doorsnee arbeider in Shanghai in die tijd zo’n 20 yuan per maand verdiende.
De verspreiding van het communisme in China zou uiteindelijk uitgroeien tot een van de grootste successen van de Komintern.
Maar als tweede strategische focus wees Lenin in de richting van de Verenigde Staten — de bakermat van het vrije Westen. Ook daar werd in 1919 een communistische partij opgericht: de Communist Party USA (CPUSA). Maar in de VS draaide het vrijwel uit op niets. De CPUSA bestaat vandaag nog steeds al heeft ze in de Amerikaanse samenleving nooit echt voet aan de grond gekregen.

Lenin was ervan overtuigd dat het communisme enkel verspreid kon worden via een ‘gewelddadige revolutie’. Mao Zedong deelde die visie volledig, en in China werd de strategie van gewelddadige revolutie — vooral tijdens de Culturele Revolutie — letterlijk in de praktijk gebracht. “Macht vloeit uit de loop van het geweer” is een van Mao’s beruchtste uitspraken uit die periode, en vat deze ideologie kernachtig samen.
Maar in het Westen, en zeker in de VS, werd al snel duidelijk dat de strategie van ‘gewelddadige revolutie’ op een muur botste en dat een revolutie met wapens gewoonweg niet haalbaar was. Lenin bleef echter koppig vasthouden aan zijn visie, en pas na zijn dood in 1924 werd de strategie aangepast. Zijn opvolger, Jozef Stalin, schoof het idee van een wereldwijde gewelddadige revolutie geleidelijk terzijde, en onder zijn leiding schakelde de Sovjetunie over op een nieuwe tactiek: die van de ‘geleidelijke infiltratie’.
Het plan: infiltreer in de westerse samenleving, stap voor stap, in alle mogelijke domeinen. De politiek, de academische wereld, de media, onderwijs, kunst, literatuur, Hollywood — zelfs religieuze instellingen werden doelwitten. Het uiteindelijke doel was om het Westen van binnenuit voor te bereiden op een ideologische omwenteling. Geen revolutie meer met wapens, maar een culturele revolutie in slow motion.
Tussen de regels...
De blik van Churchill
Eén van de vroegste prominente westerse politici die het communisme als een existentiële ideologische dreiging beschouwde was niemand minder dan Winston Churchill.
Churchill was een visionair en pragmatisch strateeg, die een erg belangrijke rol speelde tijdens de Tweede Wereldoorlog als premier van het Verenigd Koninkrijk. Terwijl veel van zijn collega’s tot eind WOII de Sovjets zagen als ‘bondgenoot’ tegen nazi-Duitsland, zag Churchill het van bij het begin anders. Al in 1919 zei hij: "Het bolsjewisme is geen politiek beleid; het is een ziekte." Na de Russische Revolutie van 1917 was hij zelfs betrokken bij pogingen om de bolsjewieken militair tegen te houden.
In de aantekeningen voor zijn beroemde "IJzeren Gordijn"-toespraak in 1946, vlak na de Tweede Wereldoorlog, schreef Winston Churchill het volgende: “Er is een schaduw gevallen over de taferelen die nog maar zo kortgeleden verlicht waren door de overwinning van de geallieerden. Niemand weet namelijk wat Sovjet-Rusland en zijn communistische internationale organisatie in de nabije toekomst van plan zijn, en niemand weet waar de grenzen liggen — als die er al zijn — van hun expansiedrift en ideologische bekeringsdrang.”

De Britse premier Winston Churchill (links), de Amerikaanse president Harry Truman (midden) en Jozef Stalin, leider van de communistische Sovjet-Unie (rechts), tijdens de Conferentie van Potsdam in Schloss Cecilienhof in Potsdam, nabij Berlijn, op 17 juli 1945, kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Het doel van deze conferentie was om belangrijke beslissingen te nemen over de organisatie van Europa en de rest van de wereld nu de oorlog voorbij was.
James Bond, en de Romantiek van Spionage

De strategie van ‘geleidelijke infiltratie’ viel samen met de opkomst van de moderne inlichtingendiensten zoals de CIA, MI6 en de KGB. Het werd hiermee ook het begin van het James Bond-tijdperk.
Maar in werkelijkheid had deze strijd weinig te maken met de glamoureuze, actievolle wereld van 007. Het draaide niet om spectaculaire achtervolgingen of vuurgevechten, maar om trage, subtiele ondermijning: het systematisch uithollen van de steunpilaren van het vrije Westen — zodat de samenleving van binnenuit langzaam zou wegzinken in chaos en onzekerheid.
De tactiek van gewelddadige revolutie had in het vrije Westen gefaald. Maar de impact van de nieuwe Sovjet-strategie van geleidelijke infiltratie was aanzienlijk en ging ook hand in hand met het werk van enkele invloedrijke genootschappen, waarvan sommigen al veel eerder in het Westen actief waren. Het ging om Westerse genootschappen die vanuit de luwte achter de schermen hun invloed uitoefenden, en evenzeer heimelijk streefden naar een fundamentele transformatie van onze vrije samenleving — door haar pijlers stukje bij beetje uit te hollen.
7.3.3 De ‘Fabian Society’
Een van die genootschappen, zelden genoemd in onze geschiedenisboeken maar van opmerkelijke invloed, is de Fabian Society — opgericht in Londen in 1884, een jaar na de dood van Karl Marx.
Karl Marx bracht de laatste jaren van zijn leven door in Londen. Hij was ondertussen compleet geruïneerd. Zijn boeken verkochten nauwelijks en hij was vaak afhankelijk van geld dat Friedrich Engels hem toestopte. Hij kampte met longproblemen, leverkwalen, een verzwakt gestel en verloor in die periode ook nog eens enkele naaste familieleden. In 1883 stierf hij in Londen en het leek er even op dat zijn ideologie samen met hemzelf simpelweg zou verdwijnen. Op zijn begrafenis waren amper negen mensen aanwezig.
Maar amper een jaar later werd in Londen een intellectueel genootschap opgericht onder de naam ‘Fabian Society’. Het ging om een kleine groep academici, schrijvers en denkers die geregeld samenkwamen om Marx’ ideeën te bespreken. De Fabians verwierpen van bij het begin het idee van revolutionair geweld, maar dachten na over hoe men de ideologie van Marx geleidelijk kon laten doordringen in de vrije westerse samenleving. Vanaf het begin geloofden zij in de kracht van geleidelijke infiltratie.
Ondanks dit essentiële verschil in aanpak, waren Lenin en de Fabians op strategisch vlak toch geestverwanten. Lenin zei ooit: “Eén man op een gevoelige positie kan duizenden anderen controleren.” Een bekende anekdote vertelt dat een cartoonist de Fabianen tekende als schildpadden die overal hun kopjes tussen de kieren van de Britse instituties staken. Shaw zou die tekening vervolgens lachend gebruiken als propagandamateriaal. Dat was namelijk precies het uitgangspunt van de Fabians. Het idee was om via een langzame opmars naar sleutelposities, de samenleving van bovenaf te transformeren. Morele of ethische grenzen speelden daarin amper nog een rol — het doel heiligt immers de middelen!


Karl Marx ligt begraven op Highgate Cemetery in Londen. Zijn oorspronkelijke graf was zeer bescheiden, maar in 1954 werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar een prominenter graf in dezelfde begraafplaats. Daar verrees een monument met een imposant borstbeeld van Marx en de inscriptie: “Workers of all lands, unite!”
Tussen de regels...
“Het doel heiligt de middelen”
Dit gezegde wordt vaak toegeschreven aan Niccolò Machiavelli (1469–1527), een Florentijns politiek filosoof, vooral bekend van zijn werk Il Principe (De Vorst, 1532).

Standbeeld van Niccolò Machiavelli in de Uffizi-galerij in Florence
Hoewel Machiavelli de exacte zin “het doel heiligt de middelen" niet letterlijk zo heeft opgeschreven, ademt zijn werk deze geest. Volgens zijn visie moet een heerser niet aarzelen om te liegen, bedriegen, of geweld te gebruiken als dat nodig is om stabiliteit, macht of de staat zelf te behouden. Effectiviteit achtte hij belangrijker dan moraal. Het gezegde “Het doel heiligt de middelen” ("the end justifies the means") verscheen pas veel later, in de 17e of 18e eeuw, en wordt toegeschreven aan verschillende denkers en schrijvers die het Machiavelliaanse idee interpreteerden en samenvatten.
Binnen het communistische denken, heeft Lenin dit principe niet alleen impliciet aangenomen, maar ook expliciet verdedigd. In zijn geschriften rechtvaardigde hij leugens, geweld, manipulatie, onderdrukking en terreur, zolang deze de uiteindelijke overwinning van het proletariaat dichterbij brachten. Hij zei hierover: “De moraal van onze partij komt volledig voort uit de belangen van de klassenstrijd van het proletariaat.”
Onder Stalin werden miljoenen mensen opgeofferd in hongersnoden, zuiveringen, de Goelag, onder het mom dat dit alles noodzakelijk was voor de “historische missie” van de Sovjetunie. Ook Mao Zedong volgde dit pad. Tijdens de Culturele Revolutie werd alles wat afweek van de communistische leer bestempeld als ‘vijandig’, en mochten alle middelen ingezet worden om de ideologische zuiverheid te bewaren.
De naam Fabian Society werd afgeleid van de Romeinse generaal Quintus Fabius Maximus Verrucosus, bijgenaamd Cunctator wat wil zeggen ‘de Treuzelaar’. Hij werd beroemd om een bijzondere tactiek: in plaats van een directe confrontatie te zoeken, koos hij ervoor geduldig af te wachten voordat hij een veldslag begon. Door de vijand voortdurend te ontwijken, zonder een grote strijd aan te gaan, hoopte hij deze op de lange termijn zonder slag of stoot geheel uit te putten. Deze strategie van geleidelijke uitputting werd het handelsmerk van Fabius en vormde de inspiratie voor de Fabian Society. Een van de eerste pamfletten van de Fabiens verkondigde: “Wacht zoals Fabius, geduldig en vastbesloten. Maar als het moment daar is: sla toe, en sla hard.”
Op het eerste gezicht leken hun initiatieven vaak lovenswaardig: ‘de achturige werkdag’ en ‘lunchpakketten voor studenten’ zijn voorbeelden van initiatieven die werden geïntroduceerd door de Fabiens. Maar achter die façade school een duistere ideologie. Neem bijvoorbeeld George Bernard Shaw, een Ierse dichter en toneelschrijver maar ook een sleutelfiguur binnen de Fabian Society. Hij zette zich in voor nobele doelen zoals feminisme en dierenrechten, maar in zijn boek The Intelligent Woman’s Guide to Socialism and Capitalism (1928) schreef hij het volgende:
“Communisme betekent gelijkheid van inkomen ofwel helemaal niets en onder communisme is het niet toegestaan arm te zijn. Je wordt onder dwang gevoed, gekleed, gehuisvest, onderwezen en tewerkgesteld, of je het nu leuk vindt of niet. Wanneer uiteindelijk zou blijken dat je niet voldoende karakter hebt om al die moeite waard te zijn, wel, dan word je wellicht op een vriendelijke manier geëxecuteerd.”
(Nota: Shaw gebruikt in zijn boek letterlijk de term socialism. In onze huidige taal klinkt “socialisme” gematigd, maar in de Engelse literatuur van zijn tijd dekte het vaak wat wij vandaag eerder als “communisme” zouden aanduiden.)
Wat Shaw hier omschrijft, is in feite niets minder dan de tirannie van het communisme zelf. Het is moeilijk te bevatten dat zulke ideeën leefden binnen onze eigen intellectuele kringen — en dat men alles op alles zette om daarmee door te dringen tot de hoogste regionen van de samenleving.
Ook het logo van de Fabian Society spreekt in feite boekdelen: het is namelijk … een wolf in schaapsvacht.
Op die manier kreeg het spook van het communisme geleidelijk aan nieuwe gezichten. De Fabians slaagden erin het publieke beeld van het marxisme grondig te hertekenen. Niet langer radicaal of revolutionair, maar ‘respectabel’, ‘intellectueel’ en ‘hervormingsgezind’. Ze pleitten voor de invoering van de marxistische principes via beleid en geleidelijke hervormingen, in plaats van via ‘gewelddadige revolutie’ of het opwerpen van barricades.
Hun invloed groeide gestaag. De Fabian Society groiede uit tot zowat het voornaamste politieke-intellectuele genootschap van Engeland en werd een sleutelspeler in de Britse politiek. De Fabiens legden mee de basis voor wat in 1900 de Labour Party zou worden. George Bernard Shaw was bovendien medeoprichter van de prestigieuze London School of Economics (1895).
De foto rechts toont een beroemd glas-in-loodraam van de Fabian Society dat je kan terugvinden in de London School of Economics (LSE). Het raam, vervaardigd in 1911, werd naar verluidt ontworpen door Shaw zelf. Het toont enkele prominente Fabiens, waaronder George Bernard Shaw en Sidney Webb, die met hamers de wereldbol aan het “reconstrueren” zijn. Boven hen staat het emblematische logo van de wolf in schapenvacht. Het origineel werd in 1978 gestolen en raakte lange tijd vergeten, maar later dook het op in de VS. Het werd aangekocht door de Webb Memorial Trust en opnieuw tentoongesteld op de LSE. Op 20 april 2006 werd het officieel ingehuldigd door de toenmalige Britse premier Tony Blair (zelf ook fervent aanhanger van de Fabian Society) en kreeg het een permanente plek in de Shaw Library, waar het nog steeds te zien is.

Men koos “Fabian” als naam voor hun gezelschap naar de Romeinse generaal Quintus Fabius Maximus Cunctator, die Hannibal bestreed niet door frontale aanvallen, maar door uitputting en geleidelijke tactieken. Dat paste precies bij de strategie van de club: geen gewelddadige revolutie, maar een geduldige, sluipende hervorming van de samenleving.

George Bernard Shaw won de Nobelprijs voor Literatuur in 1925 (uitgereikt in 1926). De toekenning was officieel “voor zijn werk dat wordt gekenmerkt door zowel idealisme als menslievendheid, door zijn stimulerende satire, die vaak wordt gecombineerd met een bijzondere poëtische schoonheid.”

Een wolf in schaapsvacht werd gebruikt als een van de logo's van de Fabiens. Toch werd het logo op termijn te controversieel. Tegenstanders gebruikten het als “bewijs” dat de Fabianen heimelijke bedoelingen hadden. Daarom werd het na enkele jaren niet meer officieel gebruikt.

Op 20 april 2006 kreeg het Fabian Window een plaats in de Shaw Library van de London School of Economics, officieel ingehuldigd door Tony Blair (zelf eveneens een Fabiaan).

7.3.4 De ‘Frankfurt School’
Een minstens even belangrijk voorbeeld, naast de Fabian Society, is de Frankfurter Schule. Hoewel zij in een iets latere periode actief waren, ging het ook hier om een groep intellectuelen die zich in 1923 aan de Universiteit van Frankfurt in Duitsland verenigden, met hetzelfde doel: onderzoeken hoe het marxisme kon worden toegepast binnen een vrije, westerse samenleving. De Frankfurter Schule werd in het leven geroepen door de marxistische zakenman Felix Weil, die een academisch centrum wilde creëren voor de studie van het marxisme. Stichtende leden waren o.a. Max Horkheimer en Theodor W. Adorno en met hun steun groeide de Frankfurter Schule uit tot een cruciaal intellectueel bolwerk van de marxistische ideologie.
Maar inmiddels waren er een aantal nieuwe obstakels opgedoken die het klassieke marxisme onder druk zetten. De wereld veranderde snel. Ten eerste werd steeds duidelijker wat er zich werkelijk afspeelde in de Sovjetunie: massale terreur, zuiveringen, goelags en miljoenen doden. Deze onthullingen deden de communistische zaak wereldwijd helemaal geen goed.
Ten tweede zagen steeds meer landen het licht van vrije democratieën, waardoor de levensstandaard van arbeiders aanzienlijk begon te stijgen en in de loop der jaren zou dit alleen maar verder verbeteren. Daardoor leek het steeds onwaarschijnlijker dat de arbeiders nog gemobiliseerd konden worden als de ‘voetsoldaten van de revolutie’.
Deze filosofen richtte daarom een denktank op om uit te zoeken waar het mis was gegaan. Ze noemden zichzelf de Frankfurter Schule.
Maar er speelde nog een derde factor. In het begin van de jaren ’30 begon het nazisme in Duitsland sterk op te komen. Een aantal van de stichtende leden van de Frankfurter Schule waren van Joodse afkomst, en ze besloten daarom Duitsland te verlaten. Ze kwamen uiteindelijk terecht in de Verenigde Staten, meer bepaald in New York. In 1934 vestigden ze zich in de buurt van de prestigieuze Columbia University in Upper Manhattan, en zo werd de ‘Frankfurter Schule’ omgedoopt tot de Frankfurt School.
Vanuit hun nieuwe Amerikaanse uitvalsbasis dachten ze verder na over de fundamentele vraag: hoe kunnen de ideeën van Karl Marx alsnog ingang vinden in het vrije Westen, ondanks de welvaart, vrijheid en democratie? Daarbij stuitten ze op het werk van een Italiaanse marxist en filosoof Antonio Gramsci, een van de oprichters van de Italiaanse Communistische Partij.
Ook Antonio Gramsci had begrepen dat het nauwelijks nog mogelijk was om de arbeidersklasse te mobiliseren als de stormtroepen van een revolutionaire omwenteling. Daarom bedacht hij een nieuwe strategie: de ‘klassenstrijd’ moest volgens hem worden vervangen door een ‘cultuuroorlog’.
Gramsci besefte dat wie de cultuur beheerst, uiteindelijk ook het denken van toekomstige generaties bepaalt. Hij omschreef zijn visie als volgt: "Het communisme zal zegevieren door eerst de cultuur te veroveren — via infiltratie in scholen, universiteiten, media en zelfs de kerk, met als doel het bewustzijn van de samenleving te transformeren."
Daarbij zag hij ook de kerk als een cruciale instelling die moest worden ondermijnd. Want, zo redeneerde hij, het geloof bepaalde de morele normen, de levenswijze van mensen, de structuur van gezinnen, en vormde daarmee een van de fundamentele pijlers van de westerse cultuur.
Zelf zou hij er echter niet in slagen om zijn ideeën in de praktijk te brengen. In 1926 werd Gramsci gearresteerd door het fascistische regime van Benito Mussolini en veroordeeld tot een lange gevangenisstraf. In zijn cel begon hij echter zijn ideeën verder uit te werken in zijn befaamde ‘notaboekjes’.
Elf jaar later werd hij vrijgelaten, zwaar verzwakt door jaren van gevangenschap. Slechts enkele dagen na zijn vrijlating overleed hij. Zijn gevangenisgeschriften, bekend als de Quaderni del carcere, werden na zijn dood het land uit gesmokkeld door zijn familie en vonden later hun weg naar intellectuele kringen — waaronder die van de Frankfurt School.

De Frankfurt School verwijst naar het Institut für Sozialforschung (Instituut voor Sociaal Onderzoek), dat werd opgericht in 1923 aan de Universiteit van Frankfurt, Duitsland.

Stichtende leden waren o.a. Max Horkheimer (links bovenaan) en Theodor W. Adorno (rechts bovenaan).

De Columbia-universiteit, gelegen in New York nabij Central Park, geldt als een van de toonaangevende universiteiten ter wereld.

Antonio Gramsci (1891–1937) was een Italiaanse marxistische denker, journalist en politicus, en een van de oprichters van de Italiaanse Communistische Partij.

De “Quaderni del carcere” (Gevangenisschriften) van Antonio Gramsci omvatten zo'n dertig schriftjes met duizenden pagina’s aantekeningen, waarin de kiemen te vinden zijn van theorieën die later een enorme invloed op het Westen zouden uitoefenen. De notitieboekjes werden na zijn dood in gedeelten uitgegeven.
Tussen de regels...
“De lange mars door de instellingen”
In 1922 vertrok Antonio Gramsci naar Moskou op politieke missie, als vertegenwoordiger van de Italiaanse Communistische Partij. In het gebouw waar hij toen verbleef – gelegen aan de Gorkistraat 10 (nu Tverskaya) – hangt vandaag nog steeds een gedenkplaat.

Dat gebouw diende in die tijd als werkruimte voor buitenlandse communistische afgevaardigden die, in het kader van de Komintern (Communistische Internationale), in Moskou verbleven voor overleg, opleiding en ideologische coördinatie.
Hoewel deze periode slechts een korte episode was in Gramsci’s leven, droeg zij indirect bij aan zijn ideologische vorming. Hij maakte er kennis met het Sovjetmodel van revolutie, maar week er later gedeeltelijk van af. Gramsci had namelijk begrepen dat de omstandigheden in West-Europa fundamenteel anders waren dan die in het Rusland van 1917.
In West-Europa leefde de arbeidersklasse inmiddels in toenemende welvaart, en er bestonden reeds vormen van parlementaire democratie. Gramsci kwam ook tot het inzicht dat de tijd van een ‘gewelddadige revolutie' vanuit de arbeidersklasse voorbij was. In plaats daarvan stelde hij dat de communistische beweging zich moest richten op een langdurige ideologische strijd binnen het maatschappelijk middenveld – een opmars via cultuur, onderwijs, religie en media.
Deze strategie zou later, in de jaren ’60, bekend worden onder de naam: “De lange mars door de instellingen”, een bewuste verwijzing naar Mao’s “Lange Mars” uit de vroege jaren dertig.
Gramsci’s ideeën maakten diepe indruk op de denkers van de Frankfurt School en zouden vanaf dat moment een blijvende invloed uitoefenen op de marxistische strategie in het Westen. De nieuwe aanpak van de Frankfurt School bestond erin om de revolutionaire woede van het marxisme los te koppelen van het oorspronkelijke doelwit – zijnde het kapitalisme – en die in plaats daarvan te hechten aan ‘de cultuur’ zelf: de westerse cultuur.
Het kapitalisme was hierdoor niet langer de boeman; het werd nu de hele westerse beschaving die ter discussie werd gesteld.
Hun methode staat bekend als de ‘Kritische Theorie’ — een denkrichting die zich toelegt op het bekritiseren én transformeren van de westerse samenleving in haar geheel. Volgens deze benadering wordt zowat elk aspect van de samenleving beschouwd als een uiting van structureel machtsmisbruik. De westerse cultuur en de vrije samenleving worden hierbij afgeschilderd als de schuldige en de diepere oorzaak voor zowat alle fundamentele tegenstellingen: arm tegenover rijk, blank tegenover zwart, man tegenover vrouw.

Adorno en Horkheimer’s Kritische Theorie is in feite een radicale cultuurkritiek waarin zij argumenteren dat de moderne vooruitgang, in plaats van bevrijding, enkel leidt tot nieuwe vormen van slavernij.
In de praktijk was de Kritische Theorie bedoeld om te komen tot een uiterst eenzijdige visie op de samenleving: die werd voorgesteld als een fundamenteel onderdrukkend systeem, dat uitsluitend tot doel had de bestaande machtsstructuren in stand te houden. Nuance, historische context of complexiteit deden er niet meer toe. Alles werd herleid tot één centrale gedachte: het systeem is fout — en ‘moet' daarom worden afgebroken.
Zo ontstond een nieuwe vorm van ideologische strijd — een sluipende cultuuroorlog waarbij de uitersten opnieuw tegenover elkaar kwamen te staan, en die later bekend zou worden als het ‘Cultureel Marxisme’. Daarbij werden de traditionele pijlers van de westerse beschaving stap voor stap ter discussie gesteld en systematisch ondermijnd. Het uiteindelijke doel was de desintegratie van de westerse cultuur en samenleving — niet door middel van een gewelddadige revolutie, maar via een geleidelijke ondermijning van binnenuit — via onderwijs, media, kunst en academie.
Hoewel de term ‘Cultureel Marxisme’ in sommige kringen als controversieel of zelfs als complottheorie wordt afgedaan, gaat het om een ideologische strategie die bewust werd ontwikkeld binnen de Frankfurt School, met als doel via culturele instellingen diepgaande invloed uit te oefenen op de normen en het denken in westerse samenlevingen.
Een van de meest invloedrijke boegbeelden van de Frankfurter Schule was Herbert Marcuse, die in de jaren ’60 erin slaagde om vanuit de Frankfurt School een brug te slaan naar de studentenbeweging en nieuwe sociale strijdthema’s zoals seksualiteit, ras en gender te integreren in deze marxistische strijd. Hierdoor nam de invloed van de Frankfurt School op studenten en activisten vanaf de jaren ’60 sterk toe. Denk bijvoorbeeld aan de slogan “Make love, not war” — een bekende leus uit de protestbeweging tegen de Vietnamoorlog. Weinig mensen weten dat Herbert Marcuse deze slogan zelf heeft bedacht.
Het resultaat was onder meer de opkomst van de ‘flower power’, de hippiebeweging en de popcultuur die ermee gepaard ging. Dit activisme werd in feite vanuit de denkbeelden van de Frankfurt School geïnspireerd, maar had in wezen niet als hoofddoel om zich tegen de oorlog in Vietnam te verzetten. Het diende een dieperliggend doel: het ondermijnen van de bestaande cultuur door alle morele ankers van de samenleving los te wrikken. Het protest begon aanvankelijk als een idealistisch verzet tegen de oorlog, maar ontaarde voor velen in een grenzeloos experiment met psychedelische drugs, vrije seks en het loslaten van alle traditionele morele kaders.
Maar Herbert Marcuse stelde dit alles voor als een noodzakelijke stap naar de ‘ultieme vrijheid’. Hij spoorde de jonge generatie studenten aan om zich te ‘bevrijden’ van de morele ankers in de samenleving die volgens hem enkel fungeren als een juk aan ons been. Hij stelde moraliteit voor als een repressieve karaktertrek van onze bestaande samenleving.
Nieuwe maatschappelijke trends zoals de seksuele revolutie, het vrij experimenteren met drugs en het antiautoritarisme werden door velen omarmd als uitingen van ultieme vrijheid. Anderen zagen er echter de eerste duidelijke tekenen in van een diepgaande desintegratie van onze vrije westerse samenleving, waarmee we terug beland zijn bij de oorspronkelijke opzet van de Frankfurt School, namelijk het loskomen van traditionele normen en waarden als een middel om het fundament van de Westerse samenleving langzaam maar zeker te ondermijnen.
Het cultureel marxisme, gedragen door activisten en studenten, waaide in de jaren ’60 ook over naar Europa. Neem als voorbeeld het bewogen “mei ’68”, toen studenten in Parijs massaal de straat op trokken om te protesteren tegen ‘het systeem’. Terwijl sommigen de kasseien uit het wegdek loswrikten, marcheerden anderen met spandoeken waarop stond: “Wij steunen de 3 M’s: Marx, Mao en Marcuse.” Marcuses boek One-Dimensional Man (1964) was in die tijd voor velen de intellectuele bijbel geworden. In dit boek bekritiseerde hij de consumptiemaatschappij, die volgens hem de mens afhoudt van een “radicale bevrijding”. Ook in steden als Berlijn en Rome doken leuzen op als: “Marx is de profeet, Marcuse is zijn vertaler, en Mao is zijn zwaard!”
In werkelijkheid droegen deze studenten — zowel in Europa als in de Verenigde Staten — bewust of onbewust bij aan de verbreiding van marxistische en maoïstische ideeën in het Westen. Zelfs vanuit Peking, waar op dat moment de Grote Culturele Revolutie in alle hevigheid woedde, werd dit proces actief ondersteund. Het Rode Boekje van Mao werd in die periode massaal vertaald en verspreid onder revolutionaire studenten en activisten, terwijl China zwaar investeerde in propaganda om Mao’s gedachtegoed wereldwijd te verspreiden. Parallel daaraan oefende de Frankfurt School, vanuit een intellectuele invalshoek, een sterke invloed uit op de studentenbeweging. Hun kritiek op de westerse samenleving en traditionele cultuur sloot aan bij de revoltedrang van de jeugd, waardoor ook in het Westen een proces van ideologische en culturele ontwrichting op gang kwam — geen gewelddadige ‘culturele revolutie’ naar Chinees model, maar wel een subtiele revolutie via cultuur, ideeën en instituties.
Een nieuwe maatschappelijke tweedeling begon zich af te tekenen: trendy tegenover oubollig, ongeremde vrijheid tegenover het behoud van het traditionele, vernieuwend tegenover behoudsgezind, progressief tegenover conservatief. Wat door progressieven werd gezien als bevrijding van ouderwetse structuren, werd door conservatieven ervaren als een gevaarlijke ontsporing. Voor hen betekende het loslaten van tradities geen vooruitgang, maar een verradelijke glijbaan richting ‘maatschappelijke degeneratie en chaos’. Tegelijk zagen conservatieven hun waarden — zoals gezin, orde, verantwoordelijkheidszin en geloof — juist als de noodzakelijke fundamenten van een gezonde samenleving. Progressieven daarentegen beschouwden diezelfde waarden vaak als onderdrukkend, beperkend of achterhaald, en geloofden dat het vasthouden eraan de ‘maatschappelijke vooruitgang’ in de weg stond.
En zo zijn we min of meer aanbeland in het hier en nu. In deze ideologische strijd dreigen morele ijkpunten steeds meer te vervagen, waarbij het voor de meeste mensen steeds moeilijker wordt om nog met zekerheid te beoordelen en te onderscheiden wat juist is en wat fout.

Herbert Marcuse (1898–1979) was een Duits-Amerikaanse filosoof van de Frankfurter Schule, die in de jaren zestig grote invloed uitoefende op jeugd- en studentenbewegingen. Hij werd een icoon van de tegencultuur en werd bekend als de “goeroe van de nieuwe linkerzijde”.
.jpg)
In zijn boek Eros and Civilization pleitte Marcuse voor een samenleving waarin seksualiteit en spel (Eros) ‘bevrijd' zouden worden uit de onderdrukking van de kapitalistische orde.

Poster gebruikt door demonstranten in mei ’68, met het opschrift: “Mei ’68 – Begin van een langdurige strijd.” Tijdens mei ’68 in Frankrijk begonnen de protesten als studentenopstanden in Parijs. Maar al snel breidden ze zich uit naar de arbeidersklasse en de industrie: miljoenen arbeiders legden het werk neer, fabrieken werden bezet, en er ontstond een van de grootste algemene stakingen in de Franse geschiedenis (ongeveer tien miljoen arbeiders). Hierdoor kwam de samenleving grotendeels tot stilstand — omstandigheden die door velen als de voedingsbodem voor een ware revolutie werden gezien.

De Franse Communistische Partij (PCF) en de vakbond CGT zagen de studenten echter niet als bondgenoten. Ze beschouwden hen als onervaren en ideologisch onbetrouwbaar. De studenten lieten zich inspireren door stromingen als het trotskisme en het maoïsme. De PCF was echter sterk georiënteerd op Moskou en wilde de arbeidersstrijd zelf sturen volgens klassiek marxistisch-leninistische lijnen. Uiteindelijk koos de partij ervoor de arbeidersprotesten te kanaliseren richting looneisen en sociale hervormingen, in plaats van een systematische revolutie na te streven. Hierdoor bleven de studenten geïsoleerd in hun revolutionaire idealen, en leidde de beweging niet tot een echte politieke omwenteling. Voor studenten en veel buitenstaanders leek de houding van de communisten paradoxaal of zelfs “verraderlijk”, aangezien juist zij de revolutionaire golf afremden. Veel studentenleiders en radicaal-linkse groeperingen zagen mei ’68 daarom als een gemiste kans voor een echte revolutie, en spraken in hun retoriek over het voorbereiden van een volgende revolutie, met harde lessen uit het “falen” van mei ’68.
Tussen de regels...
Rules for Radicals
Velen van de demonstranten in de jaren ’60 hadden nauwelijks door dat ze – bewust of onbewust – meedraaiden in een groter revolutionair project. Velen onder hen geloofden oprecht in de zaak waarvoor ze opkwamen: vrede, gelijkheid, vijheid, rechtvaardigheid. Maar onder die nobel klinkende idealen school een ander doel dat veel fundamenteler was: de revolutie zelf.
Een bekende uitdrukking uit die tijd vat dit messcherp samen: “The issue is never the issue. The issue is always the revolution.” Het ging nooit écht om het thema van het moment — het ging altijd om het gebruiken van dat thema als hefboom voor iets anders.


Deze zegswijze wordt vaak toegeschreven aan Saul Alinsky, een invloedrijke radicale denker en activist. Hoewel het citaat niet letterlijk in zijn publicaties voorkomt, weerspiegelt het de geest van zijn werk. Alinsky verwierf bekendheid met zijn boek Rules for Radicals (1971), waarin hij het concept van ‘community organising’ uiteenzette — een strategie waarmee groepen kunnen worden ‘gemobiliseerd’ rond ogenschijnlijk legitieme sociale kwesties, maar met het onderliggende doel om ‘het systeem’ in zijn geheel te ontwrichten
Volgens Alinsky is de maatschappij fundamenteel verdeeld tussen twee groepen: de ‘haves’ (zij die bezit en macht hebben) en de ‘have-nots’ (zij die dat niet hebben). Zijn kernstelling was dat de ‘have-nots’ het recht hebben om die macht op te eisen en weg te nemen van degenen die de macht bezitten.
Alinsky vat deze tegenstelling kernachtig samen met een opvallende vergelijking: “Machiavelli schreef de Vorst voor de 'haves' — over hoe zij de macht kunnen behouden. Rules for Radicals is geschreven voor de 'have-nots' — over hoe zij die macht kunnen afnemen.” Hij sprak over het “openwrijven van de zweren van ontevredenheid” en stond bekend om zijn onorthodoxe en soms provocerende methoden waarmee hij bewust onrust en chaos trachtte te creëren om op die manier macht te verschuiven en actie af te dwingen. Alinsky introduceerde hierbij tactieken zoals het creëren van druk door publieke onrust, coalitievorming, en het gebruik van media om aandacht te genereren. Hier zijn enkele opvallende anekdotes:
Tijdens een campagne om stedelijke voorzieningen te verbeteren, adviseerde Alinsky ooit aan de bewoners om hun afval op straat te laten liggen en foto’s naar de pers te sturen, zodat de verantwoordelijke politici met de ‘harde realiteit’ geconfronteerd werden. Dit sloeg in op zowel media als stadsbestuur.
Een van zijn meest opvallende acties was het geplande “shit-in" op de luchthaven O'Hare in Chicago. In 1964 organiseerde Alinsky deze protestactie in opdracht van de de Woodlawn Organization waarbij ze van plan waren om met de hulp van een aantal medewerkers alle openbare toiletten op de luchthaven O'Hare gedurende een lange tijd bezet te houden. Het doel was om de luchthaven op die manier volledig lam te leggen en de aandacht te vestigen op de verwaarlozing van de Zuidkant van Chicago. Vervolgens lekte Alinsky zijn eigen plannen aan de media. Binnen 48 uur na het uitlekken van het plan nodigde het kantoor van burgemeester Richard Daley de Woodlawn Organization uit voor overleg en aan het einde van de bijeenkomst had de stad Chicago zich gecommitteerd om de zorgen van de organisatie aan te pakken.
Het kwam er dus op neer dat Alinsky zijn aanhangers leerde om actie af te dwingen simpelweg door ‘de boel te forceren’.
Wat velen is opgevallen, is dat Alinsky in Rules for Radicals verwijst naar ‘De Duivel’ in hoogst eigen persoon als de “eerste radicaal.” Deze passage verschijnt als toewijding aan het begin van het boek, nog vóór de inleiding, wat het des te opvallender maakt. Alinsky schrijft:
“Opdat we tenminste niet vergeten een vluchtige blik over onze schouder te werpen naar de allereerste radicaal: uit al onze legendes, mythologie en geschiedenis... die in opstand kwam tegen het establishment en dat zo doeltreffend deed dat hij in elk geval zijn eigen koninkrijk heeft verworven — Lucifer.”
Critici beschouwen deze formulering als kenmerkend voor Alinsky’s wereldbeeld, waarin morele grenzen ondergeschikt lijken te zijn aan strategisch en effectief handelen in de strijd om de eigen belangen.
Zijn boek Rules for Radicals werd een handleiding voor zogeheten “organizers”: mensen die sociale verandering willen teweegbrengen door gewone burgers te organiseren en te mobiliseren. Zelfs enkele prominente figuren, zoals Barack Obama en Hillary Clinton, hebben aangegeven sterk geïnspireerd te zijn door zijn werk. Hillary Clinton schreef haar thesis aan Wellesley College over Alinsky, getiteld “There Is Only the Fight…”: An Analysis of the Alinsky Model. In deze thesis analyseerde ze Alinsky's benadering van community organizing en zijn ideeën over sociale verandering. Alinsky bood Clinton in 1969 zelfs een baan aan als community organizer, nadat ze hem had geïnterviewd voor haar thesis. In haar thesis vermeldde ze dat ze zich vereerd voelde door zijn aanbod, maar ze besloot uiteindelijk toch om rechten te gaan studeren aan Yale Law School. Hoewel ze zijn methoden waardeerde, uitte ze ook kritiek op zijn benadering, vooral op zijn focus op conflict en confrontatie. Alinsky geloofde dat echte verandering van buiten het systeem moest komen, terwijl Clinton ooit aangaf dat zij ervan overtuigd was dat verandering ook binnen het systeem mogelijk was.
Rules for Radicals werd hoe dan ook een essentiële gids voor een nieuwe generatie activisten vanaf de jaren ’70. Het werden uiteindelijk voornamelijk activisten en studenten die, wetend of onwetend, werden ‘georganiseerd’ als de nieuwe ideologische voorhoede van een bredere revolutionaire agenda in het vrije Westen.
Lenin en de kunst van het ‘organiseren’
In hun boek Next Gen Marxism (2024) leggen auteurs Mike Gonzalez en Katharine Cornell Gorka uit hoe moderne revolutionaire bewegingen teruggrijpen op een fundamenteel principe van Lenin. Die stelde:

Als je informatie of propaganda kunt gebruiken om ervoor te zorgen dat mensen zich gekwetst of als slachtoffer gaan voelen, en als je deze mensen vervolgens kunt ‘organiseren’, dan kun je een revolutie tot stand brengen.
Vladimir Lenin
Volgens de auteurs vormt dit het strategische hart van veel hedendaagse protestbewegingen: het cultiveren van slachtofferschap als politiek wapen.
In een interview met The Epoch Times verwoordde Mike Gonzalez het als volgt: “Wanneer je deze jongeren die aan het protesteren zijn vraagt waartegen of waarvoor ze protesteren, krijgen velen onder hen zelfs niet één gestructureerde zin geformuleerd. De voornaamste reden waarom ze daar zijn, is eenvoudigweg omdat ze ‘georganiseerd’ zijn.”
Wat op het eerste gezicht spontane protestacties lijken, blijkt in werkelijkheid vaak deel uit te maken van een bewuste strategie. Emotie, identiteit en groepsvorming worden doelgericht ingezet als hefboom voor revolutionaire doelen. De onderliggende tactiek blijft trouw aan Lenins gedachtegoed, maar is aangepast aan de gevoeligheden en het discours van de 21e eeuw.

7.3.5 De opkomst van ‘The New Left’ — erfgenamen van de revolutie
In de nasleep van de culturele onrust van de jaren ’60 ontstond wat vandaag vaak wordt aangeduid als “The New Left”: een verzameling van radicaal-linkse denkers en groepen die openlijk pleitten voor sociale hervorming, maar tegelijkertijd expliciet revolutionaire doelstellingen nastreven. Enkele prominente voorbeelden illustreren deze ontwikkeling:
· Students for a Democratic Society (SDS): Aanvankelijk een studentenbeweging voor democratische hervormingen, maar de groep radicaliseerde snel in de richting van het revolutionair marxisme.
· Weather Underground: Een afsplitsing van SDS die overging tot gewelddadige actie. Deze groep had openlijk revolutionaire doelstellingen en was betrokken bij bomaanslagen en sabotagecampagnes in de VS.
· Extinction Rebellion: Hoewel officieel geweldloos, tonen sommige activisten binnen deze milieubeweging revolutionaire trekken. Ze streven niet enkel naar ecologische hervormingen, maar pleiten voor de vervanging van het kapitalistische systeem in zijn geheel.
· Antifa: Een moderne echo van radicaal-links. Hoewel het geen centrale organisatie is, maar eerder een netwerk van los verbonden groepen in de VS en Europa, vertonen veel Antifa-groepen een uitgesproken anarchistische, antikapitalistische en revolutionaire insteek. Veel groepen binnen deze stroming legitimeren geweld tegen ‘fascisten’ of wat zij als zodanig definiëren (vandaar de naam). Maar daarnaast wijzen ze de parlementaire democratie af en streven naar fundamentele systeemverandering, veelal geïnspireerd door autonoom marxisme, of postmarxistische theorieën, waarmee ze zich in de lijn van ‘The New Left’ positioneren.
Antifa-groepen staan erom bekend demonstraties te laten escaleren met geweld en vernieling, de zogenaamde “escalatie-tactiek":
-
Aansluiten bij een grotere betogingen (klimaat, arbeidsstrijd, anti-rechts).
-
Proberen die te radicaliseren door vernielingen of confrontaties uit te lokken.
-
Door de ordediensten te provoceren proberen ze het geheel te laten ontsporen, waarmee ze hun strijd tegen “staat en kapitalisme” zichtbaar maken.
· Black Lives Matter (BLM): Jawel, ook BLM kent revolutionaire wortels. Hoewel de beweging als geheel divers is, verklaarden oprichters Patrisse Cullors en Alicia Garza in een interview uit 2015 openlijk dat zij in feite “getrainde marxisten” zijn. Deze ideologische vorming gebeurde via radicale activistische netwerken en mentoren. Cullors werd intensief opgeleid bij het Labor/Community Strategy Center in Los Angeles, waar ze training kreeg in marxistische analyse, community organizing en revolutionaire strategie. Garza werd gevormd binnen linkse academische milieus en progressieve actiegroepen. Samen brachten zij deze ideologie over op een nieuwe generatie activisten.
In een video-opname uit 2010 sprak Cullors uitvoerig over haar ideologische achtergrond. Tijdens een panelgesprek werd de strategie van BLM vergeleken met het Rode Boekje van Mao Zedong. Cullors reageerde enthousiast:
“Dat is een enorm compliment. We zouden vaker zulke strategische handboeken moeten gebruiken.”
Deze voorbeelden illustreren hoe revolutionaire ideologieën uit de jaren ’60 en ’70 voortleven in moderne bewegingen. Wat ooit begon als strijd voor burgerrechten, vrede of ecologie, wordt — in sommige gevallen — doorgelicht met marxistische lenzen en gekanaliseerd richting een bredere confrontatie met de fundamenten van de westerse samenleving.

De black bloc-tactiek is erg typisch voor Antifa-groepen. Het is een protestvorm die sinds de jaren tachtig wordt toegepast binnen links-radicale en anarchistische milieus. Deelnemers kleden zich van top tot teen in het zwart en bedekken hun gezicht met maskers, sjaals of helmen. Deze eenvormige uitstraling heeft een praktisch doel: ze vergemakkelijkt anonimiteit, bemoeilijkt identificatie door politie en camera’s, en versterkt het groepsgevoel. In een compacte formatie kunnen black blocs plots opduiken tijdens demonstraties, vernielingen aanrichten of confrontaties met de politie aangaan, om daarna weer op te lossen in de menigte.

Patrisse Cullors

Alicia Garza

7.4 De klokkenluiders die amper nog werden gehoord
7.4.1 Cleon Skousen en het communistische meesterplan
Sommigen deden nog verwoede pogingen om te waarschuwen voor de desastreuze gevolgen van deze ‘cultuuroorlog’. In 1958, kort na de piek van het McCarthyisme, verscheen een opmerkelijk boek onder de titel The Naked Communist. Het werd geschreven door Cleon Skousen, een voormalig FBI-agent. In zijn boek presenteert hij een zorgvuldig samengestelde lijst van doelstellingen die de Communist Party USA (CPUSA) al in de jaren ’50 zou hebben opgesteld (in de jaren '30 tot '50 had CPUSA nog een aanzienlijke invloed in vakbonden, onderwijs, media en zelfs Hollywood. Tijdens de Koude Oorlog raakte de partij meer en meer in opspraak vanwege spionageschandalen.)
Deze lijst — bekend als de “45 doelen van het communisme” — was volgens Skousen (en sommige latere analisten) gebaseerd op de langetermijnstrategie van CPUSA om via een sluipend proces van demoralisatie en culturele ondermijning te komen tot een toestand maatschappelijke chaos — de ideale voedingsbodem voor een radicale omwenteling.
Deze werkpunten waren bijzonder controversieel. Ze raakten aan gevoelige en fundamentele pijlers van de westerse samenleving, zoals religie, gezinsstructuur, cultuur, moraal en nationale soevereiniteit.
Ronald Reagan, destijds nog geen president maar al politiek actief (eerst als acteur, later als gouverneur van Californië en nadien president), verwees herhaaldelijk naar Skousens boek. Hij gebruikte het om te onderstrepen hoe ernstig hij de dreiging van communistische infiltratie in Amerika en het Westen nam. Reagan zei ooit over Skousen en zijn boek: “Niemand is beter gekwalificeerd om de dreiging van het communisme te bespreken. U zult geschokt zijn, u zult geïnformeerd worden en u zult blij zijn dat u hem gehoord hebt.”
Enkele opmerkelijke voorbeelden uit deze lijst zijn:

Het boek The Naked Communist is meerdere malen herdrukt. Dit is de cover van de meest recente uitgave uit 2017 waarvan meer dan twee miljoen exemplaren werden verkocht.

Cleon Skousen (1913–2006) werkte twaalf jaar bij de FBI, voornamelijk in de periode van de Tweede Wereldoorlog en de vroege Koude Oorlog. Hij hield zich bezig met binnenlandse veiligheid en communistische activiteiten binnen de Verenigde Staten. Na zijn vertrek bij de FBI werd hij professor in geschiedenis en politieke wetenschap. In 1958 publiceerde hij The Naked Communist. Het werd zijn bekendste boek.
Doel # 17: Bouw een machtspositie op binnen het onderwijs. Versimpel het leerplan. Leg minder nadruk op discipline, logica, kritisch denken en feitelijke kennis en leg meer de nadruk op ideologische of sentimentele thema’s.
Doel # 20/21: Infiltreer de pers en verwerf sleutelposities in radio, televisie en de filmindustrie.
Doel # 22/23: Blijf de cultuur in diskrediet brengen door alle vormen van artistieke expressie te degraderen. ‘Zorg ervoor dat klassieke beeldhouwwerken uit parken en gebouwen worden verwijderd en vervangen worden door vormloze, abstracte en betekenisloze objecten.’ … ‘Het plan is om lelijkheid en afstotelijke, esthetisch ontwrichtende kunst te promoten.’
Doel # 24/25: Doorbreek de culturele normen van moraliteit door pornografie en obsceniteit te promoten in tijdschriften, films, radio en televisie. Schaf alle wetten tegen obsceniteit af door ze ‘censuur’ te noemen en ze af te schilderen als een schending van de vrijheid van meningsuiting.
Doel # 26/40: Breng de traditionele gezinsstructuur in diskrediet en vereenvoudig de procedure voor een echtscheiding. Presenteer wisselende seksuele contacten, losbandigheid en andere ‘seksuele vrijheden’ als ‘normaal, natuurlijk en gezond’.
Doel # 41: Het gezag van ouders ondermijnen en de invloed van een traditionele opvoeding verminderen. Leg de nadruk op het belang van opvoeding buiten het gezin, onder het mom dat ouders een ‘negatieve invloed’ uitoefenen. Bestempel emotionele blokkades en leerachterstanden als het gevolg van de onderdrukkende invloed van het gezin.
Doel # 27/28: Breng de kerk en de Bijbel in diskrediet. Benadruk de noodzaak van ‘intellectuele volwassenheid’, waarbij ‘geloofsovertuiging’ overbodig is. Schaf het gebed op school af, evenals elke andere vorm van religieuze uiting, met het argument dat dit in strijd is met het principe van ‘scheiding van kerk en staat’.
Doel # 36: Infiltreer en verwerf controle over meer vakbonden.
Doel # 44: Breng het Panamakanaal onder internationale supervisie om zo de geopolitieke invloed van de Verenigde Staten te ondermijnen.
Doel # 11: Promoot de Verenigde Naties als de enige hoop voor de mensheid. Stuur vervolgens aan op het herschrijven van het handvest, met als doel de VN om te vormen tot een ‘globale regering’.
Doel # 42: Creëer de indruk dat geweld en opstand legitieme aspecten zijn van de westerse traditie, en dat studenten en bepaalde belangengroepen moeten worden aangemoedigd zich te organiseren en geweld te gebruiken (‘united force’) om problemen op economisch, politiek of sociaal vlak aan te pakken.
Deze werkpunten waren, en zijn nog steeds, erg omstreden omdat ze op gespannen voet staan met westerse kernwaarden rondom godsdienstvrijheid, het traditionele gezin, nationale identiteit en morele orde.
Maar ook hier was de ware opzet nooit wat ze leek. Achter de façade van emancipatie, gelijkheid of vooruitgang, schuilde een doel dat veel fundamenteler was. Volgens Skousen zouden deze werkpunten na verloop van tijd onbewust worden omarmd door de betrokken belangengroepen, onder het mom van vooruitgang of vernieuwing. In werkelijkheid fungeerden ze echter als rookgordijnen, bedoeld om het ware doel — de ondermijning van het moreel en cultureel weefsel van het Westen — te verhullen en elke vorm van weerstand geleidelijk te neutraliseren, tot het te laat was.
Deze controversiële lijst van vermeende doelstellingen van “communistische infiltratie” werd in 1963 zelfs voorgelezen in het Amerikaanse Congres, en is nadien vaak geciteerd als een draaiboek voor de zogenaamde “culturele ondermijning” van het vrije Westen. Maar veel historici en politicologen beschouwden het boek doorgaans als ideologisch gekleurd en conspiratief, met weinig harde onderbouwing en naarmate de tijd verstreek verdween de lijst dan ook geleidelijk in de archieven. De meeste mensen in de jaren ’50 en ’60 vonden de waarschuwingen eenvoudigweg te bizar en te abstract.
Ook in de jaren ’70, ’80 en zelfs nog in de jaren ’90 zou deze lijst voor de meesten onder ons onrealistisch en vergezocht hebben geleken. Maar wie de lijst vandaag opnieuw onder de loep neemt, kan moeilijk anders dan vaststellen dat het merendeel van deze doelstellingen inmiddels werkelijkheid is geworden.
Een bijkomend probleem is dat heel wat van deze werkpunten intussen zodanig gevoelig zijn geworden, dat ze nagenoeg onbespreekbaar zijn geworden. Veel van deze onderwerpen kunnen vandaag de dag zelfs niet meer bij naam genoemd worden.
Tegelijk zijn er nieuwe fenomenen ontstaan, zoals ‘politieke correctheid’ en ‘cancelcultuur’, waarbij mensen worden gebrandmerkt als racistisch, seksistisch, homofoob, xenofoob, fascistisch — of met eender welk label dat gebruikt kan worden om hen het zwijgen op te leggen.
Tussen de regels...
The Friends of Voltaire
Evelyn Beatrice Hall (1868–1956), een Britse schrijfster en biografe, schreef in haar boek The Friends of Voltaire (1906) een gezegde dat vaak wordt toegeschreven aan de beroemde Franse filosoof Voltaire (1694–1778).

Dit gezegde weerspiegelt haar interpretatie van zijn toewijding en inzet voor vrijheid van meningsuiting:
Ik ben het fundamenteel oneens met wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen met mijn leven blijven verdedigen.
Het is een heroïsche en principiële uitspraak, bedoeld om de kern van het liberale democratische ideaal te onderstrepen: dat ook meningen die je verafschuwt, steeds het recht hebben om gehoord te worden. Voltaire geloofde dat het debat tussen ideeën, hoe scherp of oncomfortabel ook, fundamenteel nodig was om waarheid, redelijkheid en vooruitgang te blijven bevorderen.
Zijn bereidheid dit met zijn leven te bezegelen getuigt van het diepe inzicht dat hier een wezenlijke pijler van de vrije westerse beschaving op het spel staat.
Wat is ‘politieke correctheid’?
Politieke correctheid verwijst tegenwoordig meestal naar het vermijden van uitspraken of gedragingen die als beledigend, kwetsend of discriminerend zouden kunnen worden ervaren door bepaalde groepen in de samenleving. Vanuit media, instellingen, scholen is het een manier om ‘respectvol en inclusief’ te spreken en handelen.

Weinig mensen kennen echter de oorsprong van het begrip politieke correctheid. Het werd al in de jaren ’40 en ’50 expliciet gebruikt door Mao Zedong. In zijn totalitaire systeem werd niet enkel gedrag, maar ook denken onderworpen aan partijdiscipline. Wie afweek van de officiële partijlijn of uitspraken deed die als “politiek incorrect” werden beschouwd, werd beschuldigd van ideologisch verraad — niet alleen aan de Communistische Partij, maar ook aan de “onderdrukte massa” die de partij beweerde te vertegenwoordigen.
De straffen waren zwaar: verbanning, publieke vernedering, dwangarbeid of erger. Wie “politiek incorrect” sprak of dacht, verloor niet alleen zijn partijlidmaatschap, maar werd ook uitgesloten uit zijn gemeenschap, door vrienden gemeden, of zelfs door familie verstoten. Wat restte, was een leven in sociale leegte, vaak gevolgd door opsluiting in werkkampen (het zogenaamde Laogai-systeem — “heropvoeding door arbeid”). Miljoenen stierven daar door mishandeling, uitputting of regelrechte executie.
Betekent dit dat al die mensen die door de jaren heen hebben bijgedragen aan deze culturele strijd in het vrije Westen per definitie slechte mensen zijn? Het antwoord is neen — integendeel zelfs. Lenin zou in zijn tijd voor deze mensen zelfs een denigrerende term hebben bedacht, Volgens hem ging het om: “nuttige idioten — Westerse intellectuelen die vanuit hun idealisme kunnen worden ingezet voor de Sovjet-propaganda”.
Het mag duidelijk zijn: de Derde Internationale lijkt verzonken in een grauw en grijs verleden, maar in werkelijkheid is het geen afgesloten hoofdstuk uit onze geschiedenis. De strijd gaat onverminderd voort. Alleen is het ‘spook van het communisme’ intussen zo veelvormig geworden, dat het haast onherkenbaar is geworden en zich achter tal van nieuwe maskers verschuilt.

In de zomer van 1920, inmiddels meer dan een eeuw geleden, kwamen afgevaardigden van communistische partijen en organisaties uit Europa, maar ook uit Azië, Latijns-Amerika en de Verenigde Staten in Moskou bijeen om tijdens het tweede congres van de Komintern te beraadslagen over een ‘communistische wereldrevolutie’ — een ideologische strijd die nooit gewonnen werd, maar eigenlijk ook nooit werd beëindigd.
‘De lange mars door de instellingen’ is eigenlijk nooit meer geëindigd. Na de onrust van de jaren zestig begonnen de rebellen die destijds voor revolutie hadden geijverd, aan hun eigen professionele carrières. Ze behaalden diploma’s, werden academici, professoren, ambtenaren en journalisten. Terwijl ze nu ogenschijnlijk deel uitmaakten van de reguliere samenleving, zetten ze hun ‘lange mars door de instellingen’ gewoon verder.
Instellingen zoals de kerk, het onderwijs, de rechtspraak, de overheid, de media, de kunsten en NGO’s, die traditioneel de morele ruggengraat van de westerse beschaving vormden, worden van binnenuit verder geïnfiltreerd en geleidelijk gecorrumpeerd. Dit gebeurt zonder noemenswaardige tegenstand, aangezien nagenoeg niemand het in de gaten heeft.
Vandaag zijn het niet langer de arbeiders die als revolutionaire voorhoede optreden, maar net bepaalde professoren, leraren, journalisten en beleidsmakers. Zij vormen — bewust of onbewust — de nieuwe voetsoldaten van de ideologische strijd, al rijst bij velen de vraag of ze zelf beseffen welke rol ze daadwerkelijk vervullen.

7.4.2 Ideologische subversie: Yuri Bezmenov
Mensen die de jaren ’80 hebben meegemaakt, herinneren zich ongetwijfeld de Koude Oorlog als een dreigende militaire rivaliteit tussen de Verenigde Staten en de Sovjetunie. Er was weliswaar geen directe oorlog tussen beide grootmachten, maar de periode werd gekenmerkt door een kernwapenwedloop en conflicten via derde landen (de zogenaamde proxy-oorlogen). Zelfs wie in die tijd nog kind was, heeft deze gespannen machtsstrijd tussen kapitalisme en communisme na de Tweede Wereldoorlog ongetwijfeld aangevoeld. Het conflict speelde zich openlijk af voor de ogen van de wereld — althans voor wie toegang had tot vrije informatie.
Maar zoals we eerder al aanhaalden, hadden weinigen in het vrije Westen door hoe de strategie van de Sovjets van een ‘gewelddadige revolutie' geleidelijk overging in de subtiele strategie van ‘geleidelijke infiltratie' die zich allesbehalve openlijk afspeelde en die vooral vanaf de periode van Stalin, werd ingezet om het Westen ideologisch te ondermijnen.
Maar ook hier waren er enkele opmerkelijke figuren die het vrije Westen hiervoor probeerden te waarschuwen.

Neem Yuri Bezmenov, een voormalig KGB-agent die eind jaren ’60 werkte voor onder meer Novosti — een door de KGB gecontroleerd persbureau dat tegelijk dienstdeed als dekmantel voor buitenlandse inlichtingenoperaties. Hij werd gestationeerd in India, waar hij niet alleen verliefd werd op het land, maar ook begon in te zien hoe diep de manipulatie ging: informatie werd doelbewust vervormd, mensenlevens werden opgeofferd voor ideologische doeleinden, en westerse samenlevingen werden stelselmatig ondermijnd via psychologische oorlogsvoering.

Checkpoint Charlie was tijdens de Koude Oorlog een van de bekendste grensovergangen tussen Oost- en West-Berlijn. Geopend in 1961 op de Friedrichstrasse, fungeerde het als officiële doorgang voor diplomaten, militairen en buitenlanders tussen het Amerikaanse en het Sovjet-bezettingsgebied. Het groeide uit tot hét symbool van de scheiding tussen Oost en West, tussen kapitalisme en communisme, vrijheid en dictatuur.

In augustus 1961 vond bij Checkpoint Charlie een directe confrontatie plaats tussen Amerikaanse en Sovjet-tanks. Enkele dagen lang stonden zij oog in oog, maar uiteindelijk trok men zich zonder incident terug. Veel Oost-Duitsers probeerden hier de grens over te steken: sommigen wisten West-Berlijn te bereiken, anderen werden opgepakt of zelfs doodgeschoten. Tegenwoordig staat er een nagebouwd wachthuisje als herinnering aan de spanningen van de Koude Oorlog.
Geleidelijk raakte Bezmenov zodanig gedegouteerd door zijn werk als KGB-agent dat hij in 1970 besloot om over te lopen naar het Westen. Verkleed als hippie slaagde hij erin om vanuit India te vluchten naar Canada. Later vestigde hij zich in de Verenigde Staten.
Van daaruit probeerde hij de vrije wereld te waarschuwen voor de stille oorlogsvoering van het communisme. Hij gaf lezingen en sprak over ‘ideologische subversie’, een methode die volgens hem door de Sovjetunie werd toegepast met als doel westerse samenlevingen van binnenuit te ontwrichten en ideologisch te verzwakken, zónder dat een enkel schot hoefde te worden gelost.
Yuri Bezmenov (rechts), voormalig KGB-agent, werd in 1984 geïnterviewd door de Canadese journalist G. Edward Griffin (links). Deze video toont een kort fragment uit dit inmiddels legendarische interview.
In 1984 gaf Bezmenov een uitgebreid interview aan de Canadese journalist G. Edward Griffin. Het interview werd legendarisch omdat het een ongewoon openhartig inzicht bood in de strategieën van de Sovjet-Unie. Zijn waarschuwingen over culturele ondermijning, ideologische strijd en interne verzwakking werden in latere decennia door sommigen als profetisch beschouwd, en het interview circuleert nog steeds breed op het internet.
Bezmenov beschreef tijdens het interview vier fasen van ideologische ondermijning:
1. Demoralisatie – Een langdurig proces waarbij onderwijs, media en cultuur doelbewust worden beïnvloed om mensen ontvankelijk te maken voor vijandige ideologieën. Het vertrouwen in de eigen tradities, morele waarden en instituties wordt ondermijnd. Dit stadium kan zich uitstrekken over een volledige generatie.
2. Destabilisatie – De tweede fase richt zich op het ontwrichten van de samenleving op cruciale domeinen zoals de economie, het rechtssysteem en internationale betrekkingen. Deze fase duurt minder lang dan demoralisatie — vaak slechts enkele maanden.
3. Crisis – Een korte maar hevige schok, zoals een revolutie, economische ineenstorting of burgeroorlog, die leidt tot chaos en de val van het bestaande systeem.
4. Normalisatie – Het ‘point of no return’ wordt overschreden, waarbij een nieuw regime de macht overneemt en de situatie ‘genormaliseerd’ wordt — naar het beeld en de belangen van de ondermijnende macht.
Bezmenovs centrale boodschap was dat het vrije Westen door de jaren heen zich in slaap had laten wiegen vanuit een comfortabel maar vals gevoel van zekerheid en geborgenheid terwijl het onvoldoende begreep dat het ware doel van Sovjetpropaganda was om het Westen te demoraliseren, destabiliseren en uiteindelijk te ondermijnen. Tijdens het televisie-interview met G. Edward Griffin in 1984 zei hij: “Jullie denken dat jullie in vredestijd leven. Fout! Jullie bevinden je in een staat van oorlog. Een niet-verklaarde oorlog tegen het communistische systeem – of het communistische complot, hoe je het ook wilt noemen … En de Verenigde Staten zijn het laatste bastion voor vrijheid. Als Amerika valt, zullen we allemaal samen ten onder gaan.”
Bezmenov omschreef het proces van geleidelijke infiltratie als volgt:
De ondermijning van onze westerse samenleving begint van binnenuit. De cultuur wordt door propaganda besmeurd en weggezet als oubollig, beklemmend, beperkend en in strijd met individuele vrijheid, waardoor mensen ervoor zullen kiezen om niet langer de traditionele weg te volgen. In plaats daarvan worden mensen aangemoedigd om hun eigen normen en waarden te ‘herdefiniëren’.
Maar hier schuilt het fundamentele probleem: de mens is helemaal niet in staat om zelfstandig, los van traditie en moraal, een duurzaam moreel kompas te ontwikkelen. Wanneer hij dit toch probeert, ontaardt het maar al te vaak in een toestand van chaos. Maar vanuit de illusie van grenzeloze vrijheid worden alle morele ankers losgerukt — als was het een juk waarvan men zich moet bevrijden.
Het gevolg is voorspelbaar: demoralisatie. En zoals Bezmenov het voorzag, is dat slechts de eerste stap. Demoralisatie leidt tot destabilisatie, en uiteindelijk tot maatschappelijke chaos. Precies zoals gepland.
Er is echter nog een fundamentele eigenschap van de mens: hij heeft namelijk een diepe afkeer van chaos. Wanneer de samenleving ten prooi valt aan ontwrichting en wanorde, ontstaat er vroeg of laat een kantelpunt. Het volk zal dan zelf vragen om in te grijpen — uit angst, uit wanhoop, uit het verlangen naar stabiliteit.
In een vrije samenleving kan de overheid echter slechts handelen binnen de perken van de macht die het volk haar heeft toevertrouwd. Ze regeert ‘voor’ het volk, niet ‘over’ het volk. Maar als de vraag om een oplossing aanhoudt, en het besef groeit dat de overheid onvoldoende slagkracht heeft, zal er, onder het goedkeurend oog van het volk, een geleidelijke overdracht van bevoegdheden op gang komen van het volk naar de staat.
Als dit proces zich blijft herhalen, krijgt de overheid steeds meer macht in handen — bevoegdheid per bevoegdheid, stap voor stap. En op een bepaald moment, wanneer voldoende bevoegdheden zijn overgedragen, zal er iemand opstaan die zichzelf presenteert als de ideale figuur om ‘orde op zaken te stellen’. Iemand die zegt wat mensen willen horen, die belooft waar ze op hopen, en die ‘bereid’ is om alle verworven bevoegdheden te bundelen. Dat is het kantelmoment — het point of no return — waarop een vrije samenleving omslaat in een totalitair systeem.
De grote illusie van het communisme is immers het geloof dat al die bevoegdheden in handen zullen komen van iemand met zuivere bedoelingen, die eindelijk werk zal maken van het utopisch paradijs dat het communisme belooft. Maar steeds opnieuw leert de geschiedenis ons: degene die zich aandient als redder, wordt vroeg of laat overvleugeld door krachten die achter de schermen de werkelijke macht willen grijpen — en die jammer genoeg nooit goede bedoelingen hebben.
Tussen de regels...
Het Trojaanse Paard van het Communisme
Besmenov had ook een booschap voor diegenen die vooroplopen in de revolutie — die het Trojaanse paard van het communisme eigenhandig naar binnen helpen sleuren — het zijn vaak ook zij die werkelijk geloven in de valse belofte. Zij geloven oprecht dat het utopisch paradijs op aarde binnen handbereik ligt. Maar ironisch genoeg zijn zij meestal ook de eersten die eraan zullen moeten geloven — en Besmenov bedoelde dat vrij letterlijk. In de geschiedenis zijn het vaak deze “ware gelovigen” die, eenmaal de macht is gevestigd, als eersten worden opgeruimd. Volgens Besmenov zullen zij doorgaans niet eens kunnen navertellen wat er precies is gebeurd aangezien “zij behoren tot de eersten die tegen de muur worden gezet”.

Giovanni Domenico Tiepolo schilderde ‘De Bouw van het Paard van Troje' rond 1773–1774.
Bezmenov bedoelde dat het idee dat figuren als Mao, Stalin of Hitler uitzonderlijke gevallen waren in feite fout is. Wanneer in een democratie de macht niet langer wordt vertegenwoordigd door het volk, en de noodzakelijke ‘checks and balances’ wegvallen, ontstaat er telkens opnieuw ruimte voor een volgende Hitler, Stalin of Mao.
Dit is geen complottheorie, maar een historisch patroon. De opkomst van totalitaire regimes toont aan hoe deze processen zich keer op keer hebben herhaald — telkens onder een andere vlag, telkens met andere gezichten, maar met dezelfde fatale uitkomst. Het enige wat nog zal overblijven, nadat het Trojaanse paard is geopend, is de herinnering aan hoe het ooit was, terwijl de samenleving transformeert in een dictatuur met onnoemelijk veel menselijk leed als gevolg.
Cuba — een klassiek voorbeeld
Het Cubaanse verhaal is een klassiek voorbeeld van hoe een samenleving in crisis vatbaar wordt voor de beloften van een redder, die vervolgens stap voor stap de macht centraliseert, instituties ondermijnt, en uiteindelijk uitmondt in dictatuur.

Fidel Castro op bezoek in de Verenigde Staten (Washington D.C.) in april 1959.
Toen Castro in 1959 aan de macht kwam, werd hij aanvankelijk gesteund door veel Cubanen — ook door de middenklasse en progressieve intellectuelen. Ze zagen hem als een held die het corrupte regime van zijn voorganger Batista ten val had gebracht. Maar al snel veranderde de koers.
Na de overwinning van de Cubaanse Revolutie op 1 januari 1959, begon Fidel Castro aan een diplomatiek offensief om internationale erkenning te krijgen — en vooral de steun van de Verenigde Staten.
In april 1959 bracht hij een bezoek aan de VS, waar hij in een interview met de Amerikaanse pers en tijdens verschillende toespraken de Amerikanen probeerde gerust te stellen. Hij zei: “Maak jullie geen zorgen. Ik ben geen communist. De communisten hebben geen invloed op mijn regering.”
Maar op 2 december 1961, zei Fidel Castro in een beroemde televisietoespraak: “Ik ben wel degelijk marxist-leninist en dat zal ik blijven tot het einde van mijn leven.” Dit moment wordt vaak beschouwd als het onherroepelijke kantelpunt: het masker viel af, terwijl talloze Cubanen stomverbaasd en geheel machteloos toekeken. Vanaf dan was het duidelijk dat Cuba een communistische koers zou varen, volledig geallieerd met de Sovjetunie.
Het Cubaanse verhaal is een klassiek voorbeeld van hoe een samenleving in crisis vatbaar wordt voor de beloften van een vermeende redder, die vervolgens stap voor stap de macht centraliseert, instituties ondermijnt, en uiteindelijk het land doet uitmonden in dictatuur.
7.5 De geschiedenis blijft zich herhalen
In het boek ‘De kunst van het oorlogvoeren’, zegt de beroemde Chinese generaal Sun Tzu in de 5e eeuw voor Christus het volgende:
“Als je jezelf kent, maak je kans om tot 50% van de veldslagen te winnen.
Als je je vijand kent, maak je kans om tot 50 % van de veldslagen te zinnen. Maar enkel als je jezelf EN je vijand kent, maak je kans om tot 100% van de veldslagen te winnen.”
De vraag is niet alleen of wij onze vijand kennen, maar of we ons überhaupt nog bewust zijn dat er een vijand ís. Enkel door onszelf hierover te onderwijzen zullen we erin kunnen slagen om te begrijpen wie er tegenover ons staat, en beseffen dat er al jarenlang een culturele strijd wordt gevoerd: niet openlijk, maar onder de radar, sluipend, systematisch en geraffineerd.
Het grootste gevaar schuilt niet in zichtbare onderdrukking, maar in de stille erosie van ons bewustzijn, en in de zelfgenoegzaamheid van een samenleving die al veel te lang vertrouwt op de vanzelfsprekendheid van vrijheid en welvaart.
Pas wanneer we doorzien wie deze ideologische strijd voert, en wat de diepere bedoelingen zijn, én wanneer we dat inzicht weten over te dragen op de volgende generaties, pas dan maken we kans om de vrijheden waarvoor onze grootouders twee wereldoorlogen hebben doorstaan, ook voor de toekomst veilig te stellen.

7.6 De laatste pion op het schaakbord
Iemand die het communisme maar al te goed begrepen had, was de Amerikaanse president Ronald Reagan. Hij was president van de Verenigde Staten van 1981 tot 1989 en speelde een sleutelrol tijdens de Koude Oorlog. Reagan had niet alleen een scherp inzicht in de ideologie en strategieën van het communisme, maar wist ook precies hoe diep en verraderlijk het kon infiltreren in vrije samenlevingen.
In tegenstelling tot veel tijdgenoten, die het communisme vooral beschouwden als een militaire of economische tegenstander, begreep Reagan dat het in wezen een ideologische en morele strijd was. In talloze toespraken, artikels en beleidsbeslissingen sprak hij zich uit tegen het communisme — niet alleen als een systeem dat politieke vrijheid onderdrukt, maar als een wereldbeeld dat lijnrecht ingaat tegen menselijke waardigheid, geloof, en de principes van een vrije samenleving. Reagan noemde de Sovjetunie dan ook openlijk een "Evil Empire" en beschouwde de Koude Oorlog als een existentiële strijd tussen goed en kwaad.

Ronald Wilson Reagan (1911 – 2004)
was de 40e president van de Verenigde Staten van 1981 tot 1989.
Maar zijn visie ging verder dan alleen de Sovjetunie: Hij waarschuwde ook voor de sluipende invloed van marxistische ideeën, die via academische instellingen, culturele stromingen en maatschappelijke organisaties stilaan het Westen binnendringen. Reagan begreep als geen ander dat het communisme niet alleen op het slagveld bestreden moet worden, maar vooral in de hoofden en harten van mensen.
Tijdens een toespraak voor de Captive Nations Conference in 1987 zei hij: “Een voorstander van het communisme is iemand die Marx en Lenin heeft gelezen. Een tegenstander van het communisme is iemand die Marx en Lenin heeft begrepen.”
Onder zijn leiderschap versnelde de economische en ideologische druk op het communistische blok. Reagan verhoogde drastisch de Amerikaanse defensie-uitgaven. Dit zette de Sovjet-Unie zwaar onder druk. Moskou kon het economische tempo van deze wapenwedloop niet bijbenen en dit versnelde de uitputting van het Sovjet-model.
Tijdens een speech op 12 juni 1987 bij de Brandenburger Tor in West-Berlijn sprak Reagan de inmiddels legendarische woorden: “Meneer Gorbatsjov, sloop deze muur!” Deze uitspraak kreeg een bijna profetische waarde toen amper twee jaar later, in november 1989, de Berlijnse Muur ook daadwerkelijk viel. Nadien vielen ook de communistische regimes in Oost-Europa één voor één als dominostenen om — van Polen en Hongarije tot Tsjechoslowakije en Roemenië. Nog eens twee jaar later stortte uiteindelijk ook het eens zo machtige Sovjetimperium als een kaartenhuis in elkaar.
Maar toen het communistische Sovjetregime na de koude oorlog ten onder ging, dachten velen in het Westen dat daarmee ook het communisme als ideologie zijn einde had bereikt. Er ontstond een gevoel van triomf: het Westen had “gewonnen”, en de liberale democratie leek de vanzelfsprekende bestemming van alle naties.




Op 13 augustus 1961 werd Berlijn geschokt wakker: het Oost-Duitse leger was begonnen met de bouw van de beruchte Berlijnse Muur. Aanvankelijk verrees hij in het midden van Berlijn en werd in de daaropvolgende maanden verder uitgebreid. De Muur sneed West-Berlijn volledig af van het omringende Oost-Duitsland en maakte het voor Oost-Duitsers onmogelijk West-Duitsland te betreden. Dit leidde tot hallucinante taferelen: zo liep het traject soms midden door een straat en werden ramen van huizen op de grenslijn dichtgemetseld. De Muur groeide al snel uit tot een symbool van de Koude Oorlog en scheidde een generatie lang families. In de loop der jaren volgden vele spectaculaire pogingen om eroverheen te klimmen, eronderdoor te graven of eroverheen te vliegen. Circa 200 personen kwamen om het leven bij hun vluchtpoging van Oost naar West. In november 1989 viel de Berlijnse Muur tot ieders verbazing: het werd een feest en duizenden Oost-Duitsers stroomden via open grensovergangen massaal naar West-Berlijn. Dit markeerde het einde van de Koude Oorlog en het begin van een nieuw tijdperk.
Er stond echter nog één pion overeind op het schaakbord, en dat was … China.














































